Boekgegevens
Titel: Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Deel: II: Nieuwe Testament
Auteur: Stock, Eugene
Uitgave: Rotterdam: D.A. Daamen, 1899
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1149
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206458
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Vorige scan Volgende scanScanned page
LXXIL IN GETHSÉMANÉ.
337
van den Heiland, door eene denkbeeldige schilderij van het lijden der ver-
lorenen; dit, vermenigvuldigd met het ontzettende aantal der zondaren, die
verdienen het te ondergaan, zou dan in zekeren zin gelijk staan met het
zielelijden van Christus. In de Schrift vindt men echter in het geheel geen
waarborg voor dergelijke verklaringen, en in zoover zij Zijn Lijden meer
binnen de perken van onze bevatting schijnen te brengen, zijn zij bepaald
nadeelig — daar zij afbreuk doen aan het geheimzinnige van dat Lijden. Het
zij genoeg te weten, dat op Hem ons aller ongerechtigheden gelegd werden,
en dat wij, omdat Hij ze gedragen heeft, door het geloof «begenadigd» kunnen
worden «in den Geliefde».
Schets van de Les.
Het is middernacht — de Paaschmaan
schijnt helder boven Jeruzalem en hult
de torens en de tuinen der stad in een
witten glans, waardoor echter de duisternis
in de diepe vallei van Josafat nog te
scherper afsteekt. Een gezelschap menschen
komt uit de oostelijke poort, bestijgt het
steile pad, gaat over de beek naar de
helling van den Olijfberg. Wie zijn zij?
vers 30; Joh. XVHI : l. Zij treden een
tuin binnen (zie Aant. 1); eene welbe-
kende plaats — waarom? Joh. XVHI : 2
(verg. Luk. XXI : 37) — eene eenzame
plek tusschen de groote olijf boomen is de
geschikte plaats voor een rustig gesprek
en voor gebed — misschien werden hier
die belangrijke profetieën en'gelijkenissen
(Matth. XXIV—XXV) uitgesproken.
Maar al de Elven moeten nu niet bij
Jezus blijven, vers 36, 37 — drie worden
er gekozen om zich verder met Hem af
te zonderen. Wanneer waren deze drie
vroeger met Hem alleen geweest? Luk.
VIII : 51, IX : 28. Misschien denken zij:
«Zal er eene andere Verheerlijking plaats
hebben ? Hij heeft zooeven gebeden om ver-
heerlijkt te worden (Joh. XVII : 1) —
zullen wij drieën deze wonderbare heer-
lijkheid weder zien?» Zie naar Hem —
luister — Hij is veranderd — maar hoe?
geene heerlijkheid, maar droefenis —
vreeselijke zielestrijd op Zijn gelaat, over-
weldigende smart in Zijne stem — zij
hebben Hem vroeger nooit zoo gezien.
Zie twee zaken in vers 38: wat Hij van
Zichzelven zegt — wat Hij aan hen vraagt.
I. Christus' zielestrijd.
Zie wat er van gezegd wordt: «geheel
droevig» — «zeer beangst» — «tot den
dood toe» (nl. in zulk een mate, dat,
indien deze toestand voortduurde, hij den
dood ten gevolge zou hebben) — «ver-
baasd» (d. i. ontsteld) — «in een zwaren
strijd». Zie beschrijvingen van dit zware
zielelijden, Ps. XXXVHI : 8-10, XL : 12,
LV : 4, 5, LXXXVIII : 3, 6, 7 —wat kon
erger zijn dan dit alles? Geene smart gelijk
aan de Zijne — Hij kon in waarheid de
woorden van Jeremia gebruiken, Klaagl.
I : 12. Als een bittere beker, die tot den
laatsten druppel gedronken moest worden,
vers 39; verg. XX : 22 (Zie Aant. 4).
Maar waartoe dit alles? Wanneer wij
denken aan den «beker» van smart en
lijden, dien Jezus drinken moest, aan den
spot, de geeseling, het kruis, enz. Is er
hier in den eenzamen tuin, waar Hij,
alleen met Zijne drie Apostelen, nog door
geen lijden is getroffen, reden voor zulk
een zielestrijd ?
(a) Is het, omdat Hij weet en vreest
hetgeen komen zal? Maar Hij had het
reeds vroeger geweten, en wat gevoelde
en deed Hij toen? (Les L en LX). Daar-
22