Boekgegevens
Titel: Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Deel: II: Nieuwe Testament
Auteur: Stock, Eugene
Uitgave: Rotterdam: D.A. Daamen, 1899
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1149
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206458
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Vorige scan Volgende scanScanned page
336
LXXII. IN GETHSÉMANÉ.
als op het lot van Judas. Hij «ging heen
in zijne eigene plaats», Hand. I : 25.
5. Het woord heiligen, in vers -17 en
'19, heeft eene beteekenis, welke de twee
doeleinden van toewijding aan God ver-
eenigt. (1) Bij hen was deze afzondering
iets, dat langzaam en trapsgewijze tot stand
kwam — bij hen was het heiliging in
den eigenlijken zin des woords, de heilig-
making; maar (2) bij Hem was het die
zuivere en volkomen toewijding van Zich-
zelven, door Zijne onderwerping aan Gods
heiligen wil — welke terzelfder tijd de
werkdadige oorzaak van hunne heiliging
en hun voorbeeld moest zijn.
6. De eenheid, om welke Christus bidt,
kon niet in de eerste plaats de eenheid
der uitwendige Kerk zijn. Het is de een-
heid van eene gemeenschappelijke vereeni-
ging met Hem door het ^eioo/", zooals de
gelijkenis van den Wijnstok (zie de toe-
lichting in de Schets) duidelijk aantoont.
Het spreekt vanzelf, dat het die eenheid
is van geest en onderlinge liefde tusschen
degenen, die voor het uiterlijk gescheiden
zijn, welke indruk maakt op de wereld.
Tegelijkertijd is het duidelijk, dat ook de
uiterlijke eenheid in de bede bedoeld
wordt; want, ofschoon wij de treurige
ondervinding hebben, dat zij in zichzelf
nog geen waarborg is voor ware eenheid,
toch kan ware eenheid niet volkomen tot
stand komen zonder deze uiterlijke ken-
teekenen; en de afwezigheid van deze is
een hinderpaal voor de uitbreiding van het
Christendom.
7. «Vader, Ik wil, dat waar Ik ben»,
enz. Het «Ik wil» is zeer krachtig en
beteekent «Het is Mijn wil, dat», enz.
Stier noemt het terecht een testamentisch
woord. Maar er is geen werkelijk verschil
tusschen deze en andere beden. Alles, wat
Christus vraagt, «wil» Hij, en Hij kan
niet iets willen, wat ook niet de wil des
Vaders is.
Les LXXII. — In Gethsemané.
« Schouwt het aan, en ziet of er eene smart zij gelijk Mijne smart.»
Tc lezen — Matth. XXVI : 30—46; {verg. Mark. XIV: 32—42, Luk. XXH : 39-46).
Te leeren — Ps. LXIX : 21; Jes. LIH : 4, 5. (Gez. 119 : 2, 3.)
Voor den Onderwijzer.
De groote zaak, waarnaar men in deze Les moet trachten, is hooge ernst.
Indien de onderwijzer er door de keus zijner woorden, door den toon zijner
stem, in slagen kan om den leerlingen den indruk te geven, dat dit gedeelte
schier eenig is in de Schrift wegens het ontzagwekkend geheimzinnige van het-
geen hier verhaald wordt, dan is een belangrijk punt gewonnen. De eerbiedige
stilte, welke, zoo mogelijk, in de klasse moet heerschen, zal niet enkel door
gezag verkregen worden, maar alleen door den eerbied, waarvan de onder-
wijzer zelf blijken geeft; en deze eerbied moet, om op het gemoed der kinderen
te werken, niet aangenomen^ maar de natuurlijke uiting zijn van de gevoe-
lens, welke het hart des onderwijzers in beweging zullen brengen, indien hij
zelf ernstig getracht heeft in den geest van hel verhaal te dringen. Wij kunnen
er bijvoegen, dat hij, die bij het onderwijzen gewoonlijk het opgewektst en
vroolijkst is, er het best in slagen zal, om, alleen door de kracht der tegen-
stelling, nu zijn eerbiedigen ernst aan de kinderen mede te deelen.
Men heeft somtijds getracht een meer bepaald b&grip te geven van het lijden