Boekgegevens
Titel: Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Deel: II: Nieuwe Testament
Auteur: Stock, Eugene
Uitgave: Rotterdam: D.A. Daamen, 1899
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1149
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206458
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Vorige scan Volgende scanScanned page
335 LXXI. JEZUS GEBED VOOR ZIJN VOLK.

zooals Christus dit wenscht, moeten wij
Hem eerst liefhebben.
Zal er ooit zulk eene eenheid zijn?
vers 22; wanneer zal deze volmaakt zijn?
Hier is de derde bede, —
3. Voor hunne verheerlijking met Hem,
vers 24.
Denk nu eens na — wat zijn wij? zelf-
zuchtig, ondankbaar, zondig als wij zijn,
schijnt het reeds veel, dat Jezus voor ons
gestorven is, om ons van de hel te ver-
lossen — maar is dat alles? zie wat Hij
zegt « bij Mij, waar Ik ben »! verg. Joh.
XH : 26, XIV : 3; Openb. Hl : 21 —
Jezus leeft en door Gods kracht
Zullen w' eeuwig met Hem leven!
D'eigen glans, die Hem omstraalt,
Zal zijn broedren ook omgeven;
Eén met Jezus, één met God,
Welk een uitzicht, welk een lot!
Verlangt ook gij hiernaar? Dan zal er
volmaakte heiligheid, volkomen eenheid
zijn — waarom ? Omdat alle verlosten Hem
gelijk zullen zijn! Phil. Hl: 21; 1 Joh. Hl: 2.
Aldus zien wij welke soort van menschen
deel zullen hebben aan de heerlijkheid
van Christus, (a) Afgezonderd van de
wereld; (b) Onderling vereenigd en vol
van liefde. Is dit het niet, wat Jakobus
den « zuiveren godsdienst» noemt? Jak. I:
27. Wanneer gij dus (a) voor uwe vrien-
den kiest dezulken, die in zondige genoe-
gens behagen scheppen (licht dit toe), en
(b) hen, die Christus liefhebben, vermijdt,
en een afkeer van hen hebt — hoe kunt
gij dan zingen van het verlangen naar den
Hemel?
Maar gij weet, hoe moeilijk het is om
«afgescheiden te zijn van zondaars» —
hoe moeilijk om onzelfzuchtig en liefheb-
bend te zijn. Indien het van onze pof/ingfen
afhing, zou er dan eenige kans voor ons
zijn, om de «heerlijkheid» binnen te gaan?
Maar bedenk, dat
Christus nog steeds voor ons
bidt, Rom. VIH : 34; 1 Joh. II : 1; en
daarom kunnen wij ook «volkomenlijk
zalig» worden, Hebr. VH : 25.
Aanteekeningen.
1. Dit hoofdstuk is een merkwaardig
voorbeeld, en ook werkelijk een bewijs
voor rechtstreeksche ingeving. Het is zeker,
dat dit geen «verslag» is, dat Johannes
op het oogenblik zelf opmaakte. Herinnerde
hij zich dan den inhoud, en bracht hij
dezen zelf onder woorden? «De wonder-
bare vereeniging van eenvoud en verhe-
venheid maken het», zooals Alford zegt,
«fonmogelijk om het gebed anders te be-
schouwen dan als de woorden van den
Heer Zelf» — welke den Evangelist door
d^n Heiligen Geest worden ingegeven. De
vermelding, dat «Jezus Zijne oogen ophief»,
is echter klaarblijkelijk eene van die per-
soonlijke herinneringen, welke gebruikt
worden naast datgene, wat rechtstreeks
is ingegeven.
2. Vers 3 wordt op onverantwoordelijke
wijze door de modernen aangehaald, als
eene bevestiging voor hunne opvatting van
het eeuwige leven. Maar, zooals Alford
zegt, «de kennis van God en van een
schepsel kan het eeuwige leven niet zijn, en
de naast-elkander-plaatsing van de twee is
iets onmogelijks»; en, voegt hij er bij:
«Ik aarzel niet, om dat vers te gebruiken
en te prediken als een duidelijk bewijs van
de gelijkheid van Jezus met God ».
Merk op, dat het «kennen van God»
gezegd wordt niet de weg tot het eeuwige
leven, maar het «eeuwige leven» zelf te
zijn. Zie Les LIX, Inleiding, en Aant. 3.
3. «ifc bid niet voor de wereld». Dit
zon beter uitgedrukt kunnen worden: «Ik
bid, maar niet voor de wereld», d.i. niet
nu. Naderhand bidt Hij voor de wereld,
vers 21, 23.
4. « Niemand uit hen is verloren ge-
gaan dan de zoon der verderfenis».
bit beteekent niet «Ik heb er geen ver-
loren dan Judas, alsof Christus de schuld
van Judas* verderf op Zichzelf nam.
« Zoon der verderfenis » is een Hebraïsme,
als «kind der helle», «kinderen dezer
wereld», enz. en doelt zoowel op de sc/mid