Boekgegevens
Titel: Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Deel: II: Nieuwe Testament
Auteur: Stock, Eugene
Uitgave: Rotterdam: D.A. Daamen, 1899
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1149
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206458
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Vorige scan Volgende scanScanned page
333 LXXI. JEZUS GEBED VOOR ZIJN VOLK.

kingen, studie en gebed aansporen. Men geve zich in zulk eene Les de grootste
moeite om een goed begin te maken; en om deze reden wordt, in de eerste
paragraaf van de Schets, ook op kleinigheden, als de houding bij het gebed,
gezinspeeld. «Een goed begin is het halve werk» is even toepasselijk op Zondag-
schoolonderwijs als op andere zaken.
Schets van de Les.
Nog lang zijn de Elven in de opperzaal
achtergebleven, zwijgend en treurig, han-
gende aan Jezus' lippen. De «ure» (zie
vers 1) van scheiding, lijden, en toch van
heerlijkheid {zie Les LXIX) nadert nu met
snelle schreden; maar, vóór zij het huis
verlaten, zal er gebeden worden. Wij weten
niet of zij neerknielden of stonden (waar-
schijnlijk stonden zij, zie Mark. XI : 25;
Luk. XVIII : 11, 13) — maar ééne zaak
wordt ons medegedeeld, vers 1 — «Jezus
hief Zijne oogen op naar den hemel»
(verg. Ps. CXXIII : 1; Matth. XIV : 19;
Mark. VII : 34: Joh. XI: 41) — Johannes
was zeer oud, toen hij zijn Evangelie schreef,
maar dat kon hij niet vergeten (Zie Aant. 1).
Dit is een wonderbaar hoofdstuk! Indien
gij in de eigen kamer van een Koning
verborgen waart, en prinsen en prinsessen
met hem kondet hooren spreken — met
hoeveel belangstelling zoudt gij dan luis-
teren! Hier is de Zoon van den Grooten
Koning, die tot Zijn Vader spreekt — Zijne
woorden zijn toch zeker waard, dat wij
er onze aandacht aan schenken!
I. Eerst spreekt Hij van Zich-
zelven.
Van Zijne vroegere heerlijkheid, vers 5.
«Eer de wereld was», in den beginne. Wat
was Hij toenf Eerdat iets geschapen was,
kon alleen de Schepper er geweest zijn —
dus was Jezus God, zie Joh. I : 1—3;
verg. Ps. XC : 2; Spr. VIH : 22—30.
Van Zijn werk op aarde,, vers 2—4, 6.
Wat was het? Om het «eeuwige leven»
te geven? maar de menschen konden het
niet hebben (waarom?), dus moest Hij
het voor hen verkrijgen (hoe?), — en zij
wilden het niet aannemen (waarom?); —
wie zou het dan ontvangen? «die Gij Mij
gegeven hebt» — diegenen, aan wie God
den Geest zond, om hen bereid te maken
verlost te worden. Wat had Hij gezegd
tot hen, die tot Hem kwamen ? zie vers
6 — omtrent Gods naam — Hij had hun
gezegd, dat Hij eejz Vader was, die hen
liefhad. Wij hebben gezien, hoe Hij ge-
durende de laatste twee jaren al Zijn werk
had gedaan — en nu was het voleindigd.
Over Zijne toekomende heerlijkheid,
vers 5. Wat was deze? dezelfde, die Hij
te voren gehad had ? Ja, en nog iets anders
ook; Hij deelt haar met anderen (vers 22),
en hoe kon Hij Zijne heerlijkheid ais God
met anderen deelen? Hij is nu zoowel
mensch als God; het is de heerlijkheid
van den Mensch Jezus, waarnaar Hij ver-
langt, Ef. I : 20—22; Phil. H : 9—H;
Hebr. II : 9 {Zie Les LX.)
Wat moeten de Apostelen gevoeld hebben,
toen zij naar deze wonderbare woorden
luisterden! Hij, die zich weinige oogen-
blikken te voren als een slaaf omgord en
hunne voeten gewasschen had, spreekt nu
van de heerlijkheid, die Hij had «eer de
wereld was», en dat zij, om het eeuwige
leven te ontvangen, niet alleen den Vader,
maar ook Hem moeten kennen,
n. Dan bidt Hij voor Zijn volk.
1. Dat zij bewaard blijven van de
wereld, vers 11—19.
Wat zou de zekerste wijze zijn, om hen
van de wereld te bewaren? Somtijds laat
God hen sterven, om hen voor kwaad te