Boekgegevens
Titel: Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Deel: II: Nieuwe Testament
Auteur: Stock, Eugene
Uitgave: Rotterdam: D.A. Daamen, 1899
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1149
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206458
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Vorige scan Volgende scanScanned page
EN DIEN VAN DE KRnSIGlNG.
331
gevierd was toen Christus gekruisigd werd.
De volgende oplossingen van de moei-
lijkheid worden aangegeven:
1. Dat ten gevolge van verschillende be-
rekeningen ten opzichte van het verschij-
nen der nieuwe maan, het Pascha op
twee dagen gehouden werd, op den eenen
door de Galileërs en de uitlandsche Joden,
op den anderen door die van Jeruzalem;
en dat de Heer zich naar de eersten schikte,
2. Dat de Joden, door eene fout in
hunne berekening, het feest een dag vóór
den door de wet bepaalden tijd vastgesteld
hadden, en dat Christus het op den juisten
dag hield.
3. Dat de Joden het feest met opzet
een dag later stelden, opdat de uitvoering
hunner plannen tegen Jezus er geen stoor-
nis in teweeg zou brengen.
4. Dat het Pascha op Vrijdagavond viel,
en dat de Heer het een dag vroeger vierde,
wetende, dat Zijn dood vóór den bepaalden
tijd van het feest plaats zou hebben.
5. Dat het Paaschfeest op Donderdag-
avond viel, en de uitspraken in Johannes
hiermede te rijmen zijn.
Voor No. I zijn de besvijzen zeer gering.
Nos. 2 en 3 zijn zeer onwaarschijnlijk. Het
gevoelen der meeste Schriftuitleggers is
ten gunste van No. 4 of No. 5. De meeste
oudste kerkvaders namen de wijze van
beschouwing van No. 4 aan, daar zij ge-
loofden, dat Christus, als het ware Paasch-
lam, op hetzelfde uur geleden heeft, dat
de lammeren voor het feest werden ge-
slacht. Vele anderen meenen, dat No. 5
de juiste verklaring geeft, en daar er zeer
veel voor deze opvatting schijnt te zijn,
wordt zij ook in deze Lessen aangenomen.
Het volgende is eene korte opsomming
van de bewijsgronden, die aangevoerd
worden:
I. Verklaringen der Synoptici. De drie
Evangelisten noemen den dag, toen Petrus
en Johannes uitgezonden werden, om het
Avondmaal te bereiden, «den eersten dag
der ongehevelde brooden»; Markus voegt
er hij «wanneer zij het Pascha slachtten»,
en Lukas «op denwelken het Pascha moest
geslacht worden» (Matth. XXVI: 17; Mark.
XVI : 12; Luk. XXH : 7). Daar zijn ook
de eigen woorden van den Heer (Matth.
XXVI :2): «Gij weet, dat na twee dagen
het Pascha is, en de Zoon des menschen
zal» — niet gekruisigd, maar—«overge-
leverd worden, om gekruisigd te worden».
Dit schijnt voor zeker vast te stellen, dat
Donderdag de 14de Nisan was.
Maar indien dit waar is, dan was Vrijdag
natuurlijk de IS«!® Nisan, d. i de eerste
dag van de zeven dagen, die op het
Paaschmaal volgden, en dus wat een «feest-
sabbat» (Exod. XII: 16; Lev. XXIH: 0. 7)
genaamd wordt; en men voert hiertegen
aan, dat, daar de «feest-sabbatten» evenals
de wekelijksche sabbatten gehouden wer-
den, de veroordeeling en kruisiging van
Christus niet op den 'loden Nisan plaats
heeft kunnen hebben, en de specerijen
en zalf ook toen niet gekocht zijn
kunnen worden (Luk. XXIII : 56; Joh.
XIX : 38—40); en daarom kon die Vrijdag
niet de 15^6 Nisan geweest zijn. Hierop
is een tweevoudig antwoord:
(1) Dat wij eigenlijk gezegd geen duide-
lijk bewijs hebben, dat de «feest-sabbatten»
streng gehouden werden, daar er noch in
het N. T. noch bij Josephus op gezinspeeld
wordt; (2) Dat men zich onmogelijk voor
kan stellen, dat Mattheus — om niet van
Markus en Lukas te spreken — gebeurte-
nissen beschrijft als geschied zijnde den
dag na het Paaschfeest (d. i. den lö^en
Nisan), wanneer al zijne lezers (volgens
deze theorie) wisten, dat zij niet op dien
dag plaats konden gehad hebben.
11. Verklaringen van .fohannes,
(a) «Vóór het feest van het Pascha»,
XIII : 1. Men zegt, dat dit beteekenen
moet, dat het Laatste Avondmaal vóór het
feest plaats had. Maar het beteekent eerder,
dat Jezus vóór het feest Zijne lankmoedige
liefde toonde door de voeten Zijner disci-
pelen te wasschen — hetgeen hij feitelijk
voor het Avondmaal deed. (Zooals reeds
in Les LXIX, Aant. 1, vastgesteld is).
(h) «Sommigen meenden----dat hem
Jezus zeide: Koop hetgeen wij van noode
hebben tot het feest», enz., XIII : 29.
Men zegt, dat hierdoor aangegeven wordt,
dat het feest nog niet was begonnen. Maar
inderdaad is het een bewijs voor het tegen-
deel. Indien er nog vier en twintig uren
vóór het Paaschfeest moesten verloopen,
hoe konden dan de woorden van Christus
«Wat gij doet, doet dat haastelijk », aldus
misverstaan worden?
(c) «Zij gingen niet in het rechthuis,
opdat zij niet verontreinigd zouden worden,
maar opdat zij het Pascha eten mochten",
XVIII : 28. Dit was des Vrijdagsmorgens
vroeg; hoe, vraagt men, kan dan het Pascha