Boekgegevens
Titel: Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Deel: II: Nieuwe Testament
Auteur: Stock, Eugene
Uitgave: Rotterdam: D.A. Daamen, 1899
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1149
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206458
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Vorige scan Volgende scanScanned page
330
LXX. AANHANGSEL OVER DEN DAG VAN HET AVONDMAAL
H. Avondmaal? «Omdat de typen en voor-
afschaduwingen moesten ophouden, nu de
Ware Offerande gekomen was. Er moest
geen bloedvergieting meer zijn, toen een-
maal Zijn alvermogend bloed vergoten was.
Er moest niets zijn, dat een twijfel wierp
op het algenoegzame ciaaruan» (Walsham
How).
4. « Dit is Mijn lichaam - dit is Mijn
bloed». «Indien het brood letterlijk in het
menschelijk lichaam van Christus veran-
derd werd, moesten de discipelen het nemen
en eten. Maar dat lichaam stond vóór hen,
en gaf hun wat zij moesten eten en bleef
in Zijn geheel en zichtbaar bij hen, nadat
zij gegeten hadden, en stierf naderhand
op het kruis.» «Indien men zegt, dat het
Lichaam van Christus nu een geestelijk
Lichaam is, en dat daarom, wat toen niet
kou zijn, nu het geval kan wezen, dan
loochent men, dat de Apostelen op dien
avond aan het ware Sacrament deelnamen.»
Hoe moeten wij, met betrekking tot het
woord «is», de uitdrukkingen verklaren:
«Het zaad is het woord. De akker is de
wereld. De maaiers zijn de engelen, De
oogst is het einde der wereld. Ik ben de
deur. Ik ben de wijnstok?» Wij kunnen
hier niet aan eene verandering in zelfstan-
digheid denken, maar moeten aannemen,
dat de woorden figuurlijk zijn gesproken.
En dit moeten wij ook bij het Avondmaal
aannemen, want, ofschoon wij niet alleen
erkennen, dat Christus tegenwoordig is,
maar er ons ook in verheugen, toch achten
wy niet, dat Hij tegenwoordig is in het
stolTelijk brood. Waarom zeide Hij «tot
Mijne gedachtenis»? Gedachtenis en licha-
melijke tegenwoordigheid zijn twee denk-
beelden, die moeilijk samengaan.
5. «Doet dat». Het Grieksche woord
voor « doen » is hetzelfde, dat in de Ver-
taling der Zeventigen voor het «houden»
der Geboden en het «in acht nemen»
der Mozaïsche inzettingen gebruikt wordt.
Het kan dus hier in deze beteekenis ge-
nomen worden, maar niet in den zin van
eene offerande «brengen», want dit zou
het ontvangen uitsluiten bij het eten en
drinken, terwijl toch in 1 Cor. XI het
«doen» van vers 24, 25 duidelijk gelijk
staat met het «eten en drinken» van vers
26. Wij hebben geen waarborg om te
gelooven, en wij zouden ook geen grooteren
troost kunnen vinden in het gelooven, dat
Christus eiken dag opnieuw geofferd moest
worden. Er moet echter eene offerande
zijn bij het H. Avondmaal, nl. de offerande
van ons zelf, onzer zielen en lichamen,
die wij onzen Heer aanbieden en offeren.
6. «Het Nieuwe Testament in Mijn
bloed» — beter, «het Nieuwe Verbond».
Het Oude Verbond van den Sinai was door
bloed bezegeld, zie Exod. XXIV : 7 en 8.
Het Nieuwe Verbond, van de vroegste
tijden af door God beloofd (Jer. XXXI :
81—34; verg. Hebr. VIH : 7—13, IX :
14—26, X : 15—18), krachtens hetwelk
de wet «in hunne harten geschreven»
I moest worden, en hunne zonden niet wer-
den herdacht, werd ook door het bloed
van Christus bekrachtigd en bezegeld.
I Merk op, dat Christus niet zegt «Drinkt
I het tot vergeving van zonden». Het is het
vergieten van, niet het deelnemen aan
het bloed van Christus, waarvan gezegd
wordt, dat het is «tot vergeving van zonden».
Door het Sacrament wordt niet de ver-
geving van zonden zelve gegeven, maar de
verkwikkende en bevestigende verzekering
van die schuldvergeving.
AANHANGSEL XIL — DE DAG VAN HET AVONDMAAL EN DIEN
VAN DE KRUISIGING.
Een van de moeilijkste tijdrekenkundige
vraagstukken, die zich in de Evangelie-
geschiedenis voordoen, i«5 dit: Viel het
Laatste Avondmaal of de Kruisiging in tijd
samen met het Paaschfeest?
Bij de bespreking van dit vraagstuk
hebben wij de volgende vaste datums: —
(1) De Kruisiging had plaats op den dag
vóór den wekelijkschen Sabbat, nl. op onzen
Vrijdag. (2) Het Paaschmaal had plaats
op den avond van den Nisan of
Abib (Exod. XII : 6). Nu moet er alleen
beslist worden: — Was de Donderdag of
de Vrijdag van de Lijdensweek de
Nipan? En de moeilijkheid in het beant-
woorden van het feit ligt daarin, dat door
de drie eerste Evangeliën het eene en
door dat van Johannes het andere aange-
duid schijnt te worden. Mattheus, Markus
en Lukas zeggen, dat het Laatste Avond-
maal, dat op Donderdag plaats had, « het
Pascha» was; terwijl uit verschillende uit-
drukkingen in Johannes opgemaakt zou
moeten worden, dat het Pascha nog niet