Boekgegevens
Titel: Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Deel: II: Nieuwe Testament
Auteur: Stock, Eugene
Uitgave: Rotterdam: D.A. Daamen, 1899
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1149
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206458
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Vorige scan Volgende scanScanned page
LXX, HET LAATSTE AVONDMAAL. — II.
329
moeten sterven, Mijn lichaam aan het
liout des kruises in den dood geve en Mijn
bloed vergiete» (Formulier).
Kunnen wij ook niet op andere tijden
gemeenschap met Hem oefenen?.Ja zeker;
maar dit is het groote genademiddel, zoo-
als diegenen ondervinden, die er deel aan
nemen in het kinderlijk vertrouwen op de
eigen woorden van Christus. Zijt gij
nog te jong om 7iaar het Avondmaal
te gaan? Toch kunt gij u verheu-
gen, eiken keer, dat gij andere menschen
op ziet gaan — waarom? Omdat gij her-
innerd wordt aan Zijn kostbaar bloed, dat
vergoten is, in afwachting van den tijd, dat gij
ook aan Zijne tafel aan zult kunnen zitten.
Aanteekeningen.
1. Er waren eene menigte voorschriften
voor het houden van het Paaschmaal. De
regel, welke in het algemeen gevolgd werd,
kan het best beschreven worden, indien
men de verschillende plechtigheden rang-
schikt om de vier bekers wijn. Wanneer
het gezelschap bijeen was, sprak het hoofd
des gezins de dankzegging uit. met de
woorden: «Wees geprezen, o Heer, onze
God, Koning der wereld, die de vrucht
van den wijjistok geschapen hebt»; waarna
de eerste beker rondgegeven werd. Daarna
wiesch ieder zich de handen, de « bittere
kruiden» (Exod. XII : 8) werden gegeten,
en verklaringen gegeven in antwoord op
eene vraag van een der jorjgste leden
des gezins. Dan werd het eerste gedeelte
van het «Hallel» of lofzang, dat Ps. CXIII
en CXIV bevatte, gezongen. Dan kwam
de tweede beker wijn, waarna de huis-
vader een stukje brood met eenige kruiden
in den charoseth (zie vorige Les» Aant. 2)
doopte en het at. zeggende : « Dit is het
brood der beproeving, hetwelk onze vaders
in Egypte gegeten hebben De maaltijd
werd dan voortgezet en geëindigd, en be-
sloten met den derden beker, den beker
der «dankzegging» genaamd. Het zingen
van het overige gedeelte van het Hallel,
nl. Ps. CXV—CXVTII. volgde, en de vierde
beker besloot het feest.
Verschillende bijzonderheden van minder
belang zijn hier weggelaten, en somtijds
werd nog een vijfde beker wijn gebruikt
en Ps. CXX-CXXXVll (het groote Hallel
genaamd) gezongen.
Het is niet waarschijnlijk, dat al deze
voorschriften bij het Laatste Avondmaal
werden gevolgd; maar van sommige zijn
sporen in het Evangelieverhaal. Luk. XXII :
17 schijnt te verwijzen naar den eersten
beker wijn, terwijl de derde beker «na
het avondmaal» waarschijnlijk die was,
welke bij de instelling van het Heilig
Avondmaal gebruikt werd, en de naam
zelf « beker der dankzegging » wordt door
Paulus op den beker des H. Avondmaals
toegepast (1 Cor. X : 16). Het indoopen
van de bete doelt zeker op het reeds
gemelde gebruik, en indien dit waar is,
dan is het een krachtig bewijs, dat Judas
de kamer verlaten had vóór de instelling
van het Sacrament. De «lofzang», door den
Heer gezongen (.Matth. XXVI : 30), was
denkelijk het tweede gedeelte van het
Hallel.
2. «Ik zal niet dritiken van de vrucht
des wijnstoks)), enz. Deze woorden werden
tweemaal gesproken: de eerste maal bij
het begin van den maaltijd. Luk. XXH :
15—18, waar zij doelen op de afschaffing
van het Pascha; de tweede maal na de
Instelling, Matth. XXVI: 29, waarde meeste
schrijvers aannemen, dat zij op het hemel-
sche «Avondmaal van de bruiloft des Lams»
(Openb. XIX : 9) wijzen. Ongetwijfeld
heeft het Avondmaal des Heeren evenals
het Pascha ook een profetisch karakter.
Het dient zoowel om te spreken van het-
geen komen moet, als in herinnering te
brengen hetgeen reeds geweest is.
3. « Nam broods en als Hij het geze*
gend had, brak Hij het». Bij Lukas staat
«als Hij gedankt had» in plaats van
«gezegend», maar de beteekenis is dezelfde.
Het zegenen veranderde niet de zelfstan-
digheid, niet de hoeveelheid, niet de hoe-
danigheid van het brood — maar het
gebruik, het doel, de heiligheid. De wijze,
waarop Christus het brood brak, was zeker
bijzonder plechtig, zie Luk. XXIV : 30, 31
en Les XXXIX, Aant. 7. Daaraan werd in de
vroegste tijden der Kerk de bijzondere
benaming van het Sacrament, «breking
des broods» (zie teksten in de Schets),
ontleend.
Waarom stelde Christus in, dat er brood
en niet een lam gebruikt werd bij het