Boekgegevens
Titel: Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Deel: II: Nieuwe Testament
Auteur: Stock, Eugene
Uitgave: Rotterdam: D.A. Daamen, 1899
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1149
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206458
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Vorige scan Volgende scanScanned page
u
III. DE VOLHEID DES TIJDS. 35
Weder ziea wij, als verleden Zondag,
dat wij een groot voorrecht heb-
ben. «De duisternis gaat voorbij, en het
waarachtige licht schijnt nu», 1 Joh. II: 8.
De beloofde «Zon der Gerechtigheid (Mal.
IV : *2) is opgegaan. En wat zegt Hij
tot ons? Zie Joh. XII: 36. Zijn onze harten
duister te midden van hel licht ? Wij zien
wat de wereld zonder Christus was —
zoo is ook een hart zonder Christus. En
er zijn nog duistere landen — denk daaraan.
Laat ons daarvoor werken en bidden,
opdat er heinde en ver licht zij over de
wereld.
Aanteekeningen.
1. Het Romeinsche rijk was er ver van
■daan om «de wereld» te zijn, ten tijde
van Christus' geboorte. De ontzaglijke be-
volking van Indië en China was toen reeds
even beschaafd als nu. De vereerders van
Vishnu en Boeddha waren veel talrijker
■dan die van Jupiter. Er waren tneer volgers
van Confucius dan van Plato en Aristoteles.
Maar daar gedurende eenige eeuwen de
invloed van het Christendom hoofdzakelijk
beperkt moest worden tot het Honieinsche
a'ijk, behoeft alleen de toestand der landen,
die daar een deel van uitmaakten, in deze
Les vermeld te worden.
2. Gedurende langen tijd vóór Christus'
geboorte was het Rijk door burgeroorlogen
•geteisterd geworden. De voorafgaande eeuw
was die van Marius en Sulïa, Cesar en
Pompejus, Antonius en Octavianus. De
laatste had eindelijk gezegepraald, en be-
steeg den keizerlijken troon met den titel
van Cesar Augustus; en ten teeken van den
algemeenen vrede, werd de tempel van
Janus te Rome (die altijd in tijd van oorlog
•openstond) gesloten — een geschikt oogen-
hlik voor de komst van den Vorst des
Vredes. Niettegenstaande de dwingelandij
en omkooping van den beheerscher der
romeinsche provincies, van wie Felix (Hand.
XXVI) als een echt vertegenwoordiger
gelden kan, was toch boven allen twijfel
/tet bestaan van dezelfde wetten en een-
zelfde Staatsbestuur over zulk een groote
uitgestrektheid, gunstig voor de verbreiding
van het Evangelie. De onderscheiding, die
Paulus ondervond om zijn «burgerschap»
<Hand. XVI : 38, XXII: 29), is een van de
vele bewijzen hiervoor.
3. Welke ook de juiste beteekenis en
bedoeling van de Gave der Talen zij, dit
is zeker — dat Grieksch de algemeene
taal was voor Udagelijksch verkeer, voor
-de letterkunde in de geheele oostelijke
helft van het rijk; en dat Paulus zoowel
aan de Christenen te Rome als aan die
van het half barbaarsche, keltische Galatié,
en van Corinthe en Thessalonica, Grieksch
schreef. De groote invloed van dit feit op
den voortgang van het Christendom is
duidelijk. De laatste navorschingen willen
zelfs bewijzen, dat het Grieksch de ge-
wone taal in Palestina was, en dat onze
Heer haar sprak. Dit moet tot nu toe
echter nog uitgemaakt worden.
4. Wij worden licht verblind door den
glans van de eeuw van Augustus, door
de verfijnde weelde, welke wij o. a. ver-
binden aan den naam van Pompei', en de
letterkunde, die er trotsch op was Horatius
en Virgilius aan haar hoofd te zien. Maar
onder den uiterlijken glans merkt een
oplettend beoefenaar der geschiedenis een
zedelijken achteruitgang op, die bijkans
door geen tijdvak geëvenaard wordt. Zelfs
de romeinsche hekeldichters geven er een
even donker beeld van als Paulus. Men had
zelfs geen flauw begrip van een godsdienst,
die de zonde en de hebzucht veroordeelde.
Een groot geschiedschrijver (Gibbon) merkt
op, dat door de ongeletterden alle gods-
diensten even waar, door de geleerden alle
even onwaar, en door Aeoverheidspersonen
alle even nuttig werden geoordeeld; dit ver-
klaart Pilatus' minachtende vraag «Wat is
waarheid?» en Gallio's volkomene (en
daarom onpartijdige) onverschilligheid. Wij
bewonderen de gedichten van Horatius,
maar zijn geloof kan in deze woorden
samengevat worden: «Laat ons eten en
drinken, want morgen sterven wij.» Ern-
stiger menschen, zooals Cicero en Seneca,
betreurden het (evenals Plato vóór hen
gedaan had), dat de hoogste wijsbegeerte
niet in staat was op het gedrag eens
menschen invloed uit te oefenen. Ovidius
zeide: «Ik zie het goede en erken het,
maar het kwade doe ik».
5. Palestina had rijkelijk zijn deel gehad