Boekgegevens
Titel: Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Deel: II: Nieuwe Testament
Auteur: Stock, Eugene
Uitgave: Rotterdam: D.A. Daamen, 1899
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1149
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206458
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Vorige scan Volgende scanScanned page
LXX, HET LAATSTE AVONDMAAL. —
II.
327
I. Het Paaschfeest was de ge-
dachtenisviering van een groote
verlossing.
I. Eme verlossing waarvan? Van de
Egyptische slavernij? Ja, maar er was nog
iets anders daarvóór — eene verlossing
van den engel des verderfs, van Gods oor-
deel over de zonde.
± Hoe werd deze verlossing tot stand
gebracht? De engel des verderfs «gingvoor-
bij » (beteekenis van het woord «Pascha»)
waar het bloed gesprenkeld was — welk
bloed ? Dus werd het lam geslacht om
hun leven te redden. Wat werd dan met
het lam gedaan? Datzelfde lam, welks
bloed hun behoud was, moest ook hun
voedsel zijn, hun kracht geven voor de
reis.
3. Waarom werd elk jaar de gedach-
tenis gevierd van deze verlossing? kWeen
om den Israëlieten, die den Uittocht hadden
bijgewoond, aan Gods genade te herinne-
ren? Nog meer. Aan die verlossing dankte
elke Jood zijne woonstede in Kanaan, enz.,
enz. — dus konden zij God ook om hun
zelfswil danken, en alleen door het houden
van dit feest konden zij blijven behooren
tot Gods uitverkoren volk, want zie Num.
IX : 13.
II. Het Paaschfeest wees op
eene grootere verlossing.
1. Eene verlossing waarvan? Van eene
ergere slavernij dan die van Egypte —
de slavernij der zonde, zie Joh. VIII :34;
2 Petr. 11:19. (Zie hiervan de verklaring
en toelichting in Les XXXVH) —en van
een oordeel, veel verschrikkelijker dan
datgene, hetwelk over de eerstgeborenen
kwam, Rom. II: 3,5, 8, 9 ; Matth. XXV : 41.
2. Hoe werd deze grootere verlossing
tot stand gebracht? Ook door het bloed
van een Lam, 1 Petr. I : 18,19; Openb.
V : 8, 9. Wie is dit Lam? Joh. I : 29;
Col. I : 13, 14; Hebr. IX : 12, 14. Maar
I is het genoeg, dat het Lam Gods voor ons
i gedood werd? Was het genoeg het lam in
I Egypte te dooden? Neen, nog iets anders
— (1) het bloed moest gesprenkeld, (2)
j het lam gegeten worden. Zoo is het met
I ons — Jezus is voor allen gestorven; maar
I (1) een ieder moet tot Hem komen en
1 ieders hart «besprengd» worden, Hebr.
X : 19, 22; 1 Petr. I : 2; d. i. de zonde
: van ieder in het bijzonder moet worden
; weggenomen; (2) Christus moet onze spijze
; zijn, d. i. wij moeten in Hem gelooven,
j op Hem vertrouwen, Hij moet het mid-
I delpunt van onze gedachten zijn — dan
I ontvangen wij kracht voor de reis langs
' den «smallen weg» naar het hemelsche
Kanaan {Zie verder).
3. Iloe wees dit jaarlijksche feest op
deze grootere verlossing? Het toonde aan,
dat de verlossing van den dood alleen kon
geschieden door den dood van een Ander.
Allen zagen dit misschien niet; maar toen
Jezus gestorven was, hoe kon Paulus Hem
toen noemen? 1 Cor. V : 7.
Behoort nu ook niet van deze grootere
verlossing gedachtenis gevierd te worden ?
Wat deed Christus bij dit «Laatste Avond-
maal » ?
III. Christus stelde des Heeren
Avondmaal in ter herinnering
^ aan deze grootere verlossing,
j {Lees de gedeelten, die hierop betrekking
\ hebben, in Matth., Mark. en Luk.; herhaal
1 Cor. XI : 23—26). Wat moesten de
discipelen altijd «doen» ? Een lam otferen
en het vleesch er van eten? Neen; Jezus
ging «Zichzelven opofferen» als «een
slachtotfer voor de zonden in eeuwigheid »
(Hebr. VH : 27, IX : 2H, X : 12) —
geen offeranden meer daarna {Zie Aant.
3, 5). Zij moesten slechts brood eten en wijn
drinken. «Deden» zij dit? Zie Hand. II :
42, 46, XX : 7; 1 Cor. X : 16, XI : 26.