Boekgegevens
Titel: Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Deel: II: Nieuwe Testament
Auteur: Stock, Eugene
Uitgave: Rotterdam: D.A. Daamen, 1899
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1149
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206458
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Vorige scan Volgende scanScanned page
326
LXIX. HET LAATSTE AVONDMAAL. — I.
omtrent de hevigste pennestrijd in de ChristeUjke Kerk is gevoerd. De meeste
moeite is genomen om de Schets zoo eenvoudig mogelijk te maken, en alleen
naar de woorden van den Catechismus en het Formulier voor het H. Avondmaal
te verwijzen. Zoo wij hopen, zullen de Aanteekeningen medewerken, om den
onderwijzer voor te bereiden op alle vragen, die bij de leerlingen kunnen op-
komen; maar het is van het grootste gewicht, dat de geest der kinderen niet
bezwaard worde met eene verwarring van denkbeelden omtrent het juiste
onderscheid tusschen deRoomsche, Luthersche, Zwingliaansche, Anglicaansche
en andere zienswijzen. De beste voorbereiding tegen toekomstige dwalingen
en moeilijkheden is, dat zij nu doordrongen worden van de stellige waarheid,
en dit meer uit een geestelijk en practisch dan enkel dogmatisch oogpunt.
Het zou niet vreemd zijn, indien de onderwijzer van jongere kinderen vroeg:
Kan ik deze Les behandelen? Het antwoord des schrijvers is: Zeker kunt en
moet gij dit doen. Beschrijf in bijzonderheden wat Christus gezegd en gedaan
heeft bij de Instelling van het Avondmaal, en wat nu gedaan wordt,
wanneer men het viert. Met dit laatste zal men zeker de belang-stelling
gaande maken, wanneer men ongeveer op deze wijze begint: aWat heeft er
viermaal 'sjaars in onze kerken plaats? — met welk doel?» — en dan
voortgaat met te vertellen, wat op de tafel is, wat er mede gedaan wordt,
enz. Dan volgen natuurlijk de verklaringen; en indien het denkbeeld van
«gemeenschapsoefening» te moeilijk blijkt te zijn, is dat van ctgedachtenis-
viering» in alle geval bevattelijk genoeg.
Schets van de Les.
Hoe werd dit Avondmaal genoemd, het-
welk de Heer Jezus met Zijne discipelen
gebruikte (vorige Les) en dat Hij zoo
« grootelijks begeerd » had (Luk. XXII; 15)
met hen te eten? —
Dienzelfden avond werd hetzelfde Paasch-
feest in elk huis te Jeruzalem gevierd;
het gezin was bijeenvergaderd — plechtige
dankzegging werd gebracht — de beker
wijn rondgegeven; dan stond een van de
kinderen op en vroeg wat dit alles betee-
kende, en de vader verklaarde het: de
twee Psalmen werden gezongen — nog een
beker wijn werd rondgegeven — het ge-
braden lam verdeeld — het overige van den
maaltijd genuttigd; nog twee bekers wijn
gedronken, en nog vier Psalmen gezongen
(Zie Aant, 1). Den volgenden dag zouden
de offeranden in den Tempel en andere
plechtigheden plaats hebben, en zeven da-
gen lang moest het brood ongedeesemd zijn.
Hoe lang was dit jaarlijksche feest ge-
vierd geworden? Wij hoorden er van,
toen Jezus Zijn openlijken arbeid begon
(Joh. H : 13) en toen Hij een knaap was
(Luk. H : 41, 42). Maar het was nog van
veel vroeger dagteekening. Wij vinden het
reeds in den tijd van Ezra (Ezra VI: 19),
van Hizkia (2 Kron. XXX), van Jozua
(Joz. V : 10), zelfs in de woestijn (Num.
IX : 1—5). Maar waar werd het eerste
Paaschlam gegeten? Exod. XH : 8—11.
{Beschrijf deze gebeurtenis).
Jaar op jaar, eeuw op eeuw, werd het
Paaschfeest gehouden. Waarom? Wanneer
een kind van den avondmaalsdisch opstond,
en vroeg waarom, wat antwoordde dan
de vader? Zie Exod. XH : 25—27.