Boekgegevens
Titel: Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Deel: II: Nieuwe Testament
Auteur: Stock, Eugene
Uitgave: Rotterdam: D.A. Daamen, 1899
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1149
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206458
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Vorige scan Volgende scanScanned page
324
LXIX. HET LAATSTE AVONDMAAL. —
I.
van het SO^te en 21ste vers van Lukas
kunnen afleiden, dat Judas tegenwoordig
was; en het is duidelijk, dat Lukas' rang-
schikking iu andere opzichten niet juist
is, daai' vers 25—30 ontwijfelbaar op het
wasschen van de voeten der discipelen
bij het begin van den maaltijd doelt. (De
woorden « als het avondmaal gedaan was »,
in Joh. XIII : 2, moeten eigenlijk zijn
« als het avondmaal gereed was »).
(6) Wanneer men aanneemt, zooals in
de bovenstaande tabel gedaan is, dat Judas
weggegaan was voordat 's Heeren Avond-
maal werd ingesteld, kan de volgorde van
Jlattheus en Markus behouden worden,
en het ingevoegde gedeelte bij Joh. XIH
na vers 32 komen, hetgeen het minste
bezwaar oplevert. Deze schikking verkrijgt
nog meer grond van waarheid uit hetgeen,
volgens den Talmud, in dien tijd de rege-
ling der Paaschviering schijnt geweest te
zijn. Zie volgende Les, Aant. 1. De tweede
waarschuwing werd Petrus gegeven op
den weg naar Gethsémané, zoodat tusschen
de afdeelingen 10 en 11 van de tabel de
toespraken van Joh. XIV—XVI en het
gebed van hoofdst. XVII komen.
2. Alle voorstellingen betreiTende het
Laatste Avondmaal, die aan de bij ons
gebruikelijke Avondmaalsviering of Leo-
nardo da Vinci's beroemde schilderij zijn
ontleend, moeten uit het hoofd gezet wor-
den bij het lezen van dit gedeelte. De
«tafel» bestond waarschijnlijk uit drie
tafels, die zoo geplaatst waren, dat zij de
drie zijden van een vierhoek vormden,
terwijl de vierde zijde opengelaten werd
ten gerieve van de knechten, die de aan-
zittenden bedienden. Rustbanken, zoo hoog
(of bijna zoo hoog) als de tafel, stonden
aan de buitenzijde — niet binnen het
vierkant. Op deze vlijden zich de gasten
in eene half liggende houding neder, waarbij
elk op den linkerarm leunde, met de
voeten in schuine richting naar buiten
uitgestrekt achter de schouders van den
persoon, die naast hem zat. Johannes had
hier eene plaats naast den Heer, zoodat
hij zijn hoofd op de borst van Jezus kon
doen rusten, om Hem (luisterend de vraag
omtrent den verrader te doen. Het is
waarschijnlijk, dat Judas aan den anderen
kant naast, d. i. achter Christus was, daar
het «Gij hebt het gezegd» van Matth.
XXVI : 25 niet gesproken kan zijn zoo,
dat al de anderen het hoorden.
« De hand in den schotel doopen » doelt
ook op de Oostersche gewoonte, volgens
welke elk zichzelf met de vingers uit één
schotel bedient. De «bete» was waarschijn-
lijk een stukje brood in een schotel, cha-
roseth genaamd, gedoopt, welke bestond
uit vijgen, noten, enz., met wijn en azijn
vermengd, en toen een deel van het Paasch-
maal uitmaakte.
3. Het veelvuldige wasschen der voeten
is onontbeerlijk waar slechts sandalen
gedragen worden (Zie Gen. XVIH : 4,
XIX : 2, XXIV : 32). Hengstenberg, die
eene bijzonder goede beschrijving geeft
van het geheele tooneel, voert terecht aan,
dat de nederbuigende daad van den Heer
vooral daarom zulk eene ernstige les voor
ons is, omdat er werkelijk behoefte was aan
reiniging. Het was geen onnoodige dienst,
die alleen om de zinnebeeldige beteekenis
gedaan werd. Indien dit zoo is, volgt hier-
uit vanzelf hetgeen in de Schets is aan-
genomen, dat de eigenaar van het huis
voor het bekken, enz. zorgde, maar, daar
hij zijn eigen Paaschmaal te houden had,
aan de discipelen overliet om zichzelven
verder te helpen; en dat dit, in alle geval
voor een deel, aanleiding gaf tot de «twis-
ting», bij Lukas vermeld. Om hieraan een
einde te maken en er Zijne ontevreden-
heid over kenbaar te maken, nam Jezus
zelf den slavendienst op zich, evenals de
geringste dienstknecht met den onontbeer-
lijken handdoek omgord. De vernedering,
welke deze daad in zich sloot, wordt aan-
getoond door Abigail's woorden tot David,
1 Sam. XXV : 41; verg. 1 Tim. V : 10,
en zie Les XXX, Aant, 3.
4. « Zult Gij mij de voeten wasschen 9 »
De voornaamwoorden hebben beide den
nadruk, ook om hunne plaatsing; letterlijk
is het dus: «Zult Gij van mij de voeten
wasschen?» Christus neemt de daarin lig-
gende tegenstelling aan, en gebruikt die
weder in Zijn antwoord: « Wat Ik doe, weet
gij nu niet» — als om te zeggen: c Indien
gij Mijne meerderheid erkent, waarom
doet gij dan vragen over hetgeen Mij be-
haagt te doen?»
De meeste schrijvers merken op, dat
Petrus hier een type van die personen is,
welke, uit eene verkeerde nederigheid,
geene geestelijke reiniging willen aanne-
men, die hun uit vrije en onverdiende
genade geboden wordt; en over het ant-
woord van Jezus: «Indien ik u niet wassche.