Boekgegevens
Titel: Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Deel: II: Nieuwe Testament
Auteur: Stock, Eugene
Uitgave: Rotterdam: D.A. Daamen, 1899
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1149
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206458
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Vorige scan Volgende scanScanned page
III. DE VOLHEID DES TIJDS.
13
a. Eén groot Rijk; overal vrede.
b. Eéne taal overal.
c. Het menschdom, in zonde verzonken,
zelfs over de afgoden zich schamende, kon |
door zijne uitstekendste mannen niet ge- ,
holpen worden.
Maar welk volk wilde God afscheiden,
om in het bezit te wezen van Zijne open-
baringen (zooals wij verleden Zondag
zagen)? Laat ons dit beschouwen.
II. Het uitverkoren volk.
1. Hunne regeering. Nu geen David of
Hizkia; een vreemdeling regeert in Sion.
En zelfs hij kan slechts koning zijn, wan-
weer de Romeinen het toelaten — zij
heerschen ook hier. Is hij een goed koning?
Wat zegt Matth. II ons van zijn bedrog
(vers 8) en wreedheid (vers 16)? {Zie
Aant. 5).
2. Hun godsdienst. Waren zij beter
dan de Heidenen. Geen afgoderij — in
vroegere tijden aanbaden zij altijd af-
goden — nooit na de ballingschap. — Zij
hadden de Schriften, stelden ze op hoogen
prijs — namen de wet, den sabbath, de
offers, de wasschingen enz. in acht. Zij
aanbaden niet alleen in den Tempel —
overal synagogen. Schriftgeleerden om
hen te onderwijzen, zooals Ezra, Neh.
VIII : 1—9, 14. Maar dit is niet alles.
Schriftgeleerden onderwezen niet goed —
dachten meer aan de woorden van den
grooten Rabbi dan aan Gods woorden,
Mark. VII : 3 — behandelden moeilijke
kwesties — gaven aan het volk zware
voorschriften om na te volgen , Matth.
XXHI:4; verg. Joh.VH:49; Luk. IV : 18.
De Farizeën — baden, vastten, gaven
aalmoezen — Matth. VI : 2, 5, 16; Luk.
XVHI: 11, 12; maar waren zij Gode wel-
behagelijk? Waarom niet? («om van de
menschen gezien te worden»; verg. Matth.
XV : 8, 9. XXHI: 5, 6, 14, 25-28)
{Zie Aant. 6).
3. De Joden in de verstrooiing. Waren
de Joden, met hun meerdere kennis, van
eenig nut voor de Heidenen? Niet meer
zooals vroeger in Kanaan opgesloten —
overal verstrooid — zelfs in de dagen van
Eslher (Esth. III : 8, 12, 13), toen nog
veel meer, zie Hand. II : 5, XV : 21;
Jak. I ; 1. Indien zij een goed voorbeeld
hadden gegeven, liefderijk en oprecht
waren geweest, enz., hoeveel goed hadden
zij kunnen doen! Maar zie Rom. II : 24;
verg. Hand. XVIH : 2, 14—17, XIX : 'M.
{Zie Aant. 7). Moeten wij niet met David
zeggen (Ps. CXIX: 126) «Het is tijd voor
den Heer dat Hij werke, want zij (Heidenen
en Joden) hebben Uwe wet verbroken.»
Voelde niemand dit — verlangde nie-
mand naar de komst van den Messias?
III. Verwachtingen van den
Messias.
a. Zie Hand. XXVI: 7. De Joden zagen
uit — maar naar wat? Niet naar den-
zegen voor alle volkeren aan Abraham
beloofd, niet naar den lijder en zonde-
drager, van wien Jesaja sprak — slechts-
naar den Korting {verwijs op dezepuyiten
naar de laatste Les) — een Koning, die-
hen van de vreemde heerschappij zou
verlossen en hen groot maken. Maar
eenigen dachten anders, Luk. I : 77—79,
H : 3-2, 38.
b. Niet alleen de Joden. Van wie was
het voorspeld, dat zij een Verlosser zouden
«wenschen», Hag. II : 8. Zoo was het.
In dien tijd geschreven boeken spreken
overal van eene verwaching van Iemand
groots, die komen zou {Aant. 8), Wie-
kwamen van het verre Oosten, om den
geboren Koning te aanbidden, Matth. II: 2.
Wie wachtte er op, dat de Messias haar
«alle dingen zou verkondigen»? Joh. IV : 25.
Zoodoende was het in alle opzichten,
toen Christus kwam, «de volheid des tijds»
(Gal. IV : 4).