Boekgegevens
Titel: Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Deel: II: Nieuwe Testament
Auteur: Stock, Eugene
Uitgave: Rotterdam: D.A. Daamen, 1899
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1149
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206458
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Vorige scan Volgende scanScanned page
318
LXVIII. DE SAMENZWEERDERS, 318
Hoevele misdaden worden om geld ge-
pleegd! Hoevele zielen gaan verloren door
de liefde tot het geld! Herinner u Achan,
Gehazi, Ananias; zie 4 Tim. VI : 10,
Nu zien wij waarom de oversten eens-
klaps zoo verheugd waren. De koop wordt
gesloten — Judas zal zijn Heer verkoopen
voor minder dan vijftig gulden!
Welk een toonbeeld van boosheid!
Eerst haat en kwaadwilligheid, dan zelf-
zucht, geldgierigheid, laagheid, verraad!
En toch heeft
God uit al deze boosheid het
goede voortgebracht.
Dit doet Hij altijd. Herinner u de geschie-
denissen van Jozef en Esther; zie Spreuk,
XIX : 21. Maar hoe dan hier? Bedenk eens
— was de dood van Jezus eene neder-
laag of eene zegepraal voor Hem ? Werden
Gods bedoelingen er door verijdeld of ver-
vuld? Indien die dood niet had plaats
gehad, wat zou er dan van ons geworden
zijn? God bracht dus verlossing voort uit
al deze zonde — « Hij keerde den vloek
om in een zegen » (Neh. XIH : 2).
Maar maakte dit de schuld minder?
De schuld der oversten? Zie Hand. 11:23.
De schuld van Judas? Zie Matth. XXVI :
24. Zoo is het altijd; gij kunt liefdeloos,
zelfzuchtig, verraderlijk handelen (b. v. een
jongen, die beter is dan gij, zoeken te
benadeelen en te kwellen) — misschien
gelukt het u, misschien niet — God zal
niet toelaten, dat Zijne plannen er onder
lijden — maar wel zal het uive eigen ziel
ten verderve zijn.
Zegt gij: «Wij loopen geen gevaar om
zoo slecht te zijn als die mannen?» Toch
waren ook zij eens kinderen; schenen on-
schuldig genoeg te zijn. (Zie het Voor-
beeld in de inleiding van Les XVI). Zie
Jer. XVH: 9; en bid Ps. CXXXIX: 23, 24.
Aanteekeningen.
1. Het Sanhedrin was een Raad bij de
Joden, die de hoogste rechterlijke en uit-
voerende macht in handen had. Het be-
stond (waarschijnlijk) uit twee en zeventig
leden, welke in drie klassen verdeeld wa-
ren, nl. (1) de hoogepriestersy d. i. de
hoofden van de vier en twintig «dagorden»,
waarin de priesters verdeeld waren (1 Kron.
XXIV; Luk. 1: 5); (2> de Schriftgeleerden,
de aangestelde uitleggers der wet; (3) de
ouderlingen, mannen van leeftijd en in-
vloed. De macht van het Sanhedrin was
eenmaal zeer groot, ofschoon zij door Hero-
des den Grooten en de Romeinsche stad-
houders zeer verminderd was. De leden
worden in het N. T. «oversten» genoemd.
Nicodemus was er een (Joh. IH : 1) evenals
Jozef van Arimathea (Mark. XV : 43) en de
rijke jongeling (Luk. XVIII : 18).
2. De wettige hoogepriester was in dien
tijd Annas, die reeds eenige jaren van te
voren deze waardigheid had bekleed. Maar
de Romeinsche stadhouders zetten naar
willekeur de hoogepriesters af en stelden
er weer andere aan, en vier der zonen
van Annas, zoowel als zijn schoonzoon
Kajafas, hebben na elkander dezen post
vervuld. Laatstgenoemde had bijna twintig
jaar de macht in handen. Annas behield
klaarblijkelijk veel invloed, zooals verwacht
kon worden (zie Joh. XVHI : 13), en in
Hand. IV : 6 (verg. Luk Hl : 2) wordt
hij zelfs nog «de hoogepriester» genoemd,
ofschoon hij dit waarschijnlijk feitelijk niet
meer was.
3. Het zalven van onzen Heer door
Maria moet met zorg onderscheiden wor-
den van die andere zalving door de vrouw,
«die eene zondares was», in Luk. VH.
Maar zie over het gebruik van zalven, de
albasten kruik, enz., de Aanteekeningen
bij Les XXX.
Johannes stelt met duidelijkheid vast,
dat het avondmaal te Bethanië plaatshad
op den avond van den Intocht. In Mat-
theus en Markus wordt er geene melding
van gemaakt dan onmiddellijk vóór het
Lijden, in rechtstreeksch verband met het
aanbod van Judas aan het Sanhedrin,
maar zonder juiste tijdsbepaling. Het feit,
dat Judas het eerst zijne aanklachten tegen
Maria richtte, geeft dadelijk de reden aan,