Boekgegevens
Titel: Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Deel: II: Nieuwe Testament
Auteur: Stock, Eugene
Uitgave: Rotterdam: D.A. Daamen, 1899
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1149
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206458
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Vorige scan Volgende scanScanned page
LXVIII. DE SAMENZWEERDERS,
317
hen zou ergeren? Het is waar, dat zij
allen ontsteld en verontrust waren gewor-
den bij het denkbeeld van de gevangen-
neming en den dood van den Meester;
maar hunne liefde maakte, dat zij getrouw
bleven. Maar welk eene teleurstelling voor
hem, die alleen dacht aan hetgeen hij
door middel van Jezus zou verkrijgen!
Hij verbeeldde zich zeker, dat hij bedrogen
was, en koesterde bittere gedachten.
Waarom bleef hij dan bij Jezus? (a)
Misschien dacht hij, evenals Jakobus en
Johannes {Les LX) — «Het kan zijn,
dat Hij eindelijk toch overwint — deze
vreemde woorden beteekenen zeker niet
zooveel — wij zullen misschien binnen-
kort onze belooning ontvangen», (b) Hij
ontving werkelijk iets door zijn blijven.
Hij was de kassier van het kleine gezel-
schap, bewaarde het gezamenlijke geld,
kocht al wat er noodig was; en wat deed
hij nog meer met het geld? Joh. XII :
(c) Hoe dikwijls, wanneer zij van hunne
kleine bezitting iets aan de armen dachten
te geven (Joh. XIII : 29), verdween de
gave in zijn zak! Hij was ook een slimme
dief — nooit door zijne metgezellen ver-
dacht (toen Jezus zeide: «Een uwer zal
Mij verraden», vroeg niemand: «Is het
Judas?») — maar wie wist alles van deze
diefstallen? — zeker moeten de woorden
van Jezus hem somtijds hebben ontsteld,
zooals die in Luk. XH : 15, 20, 21, 33,
XVI : 11.
2. Judas, de ontevredene.
Zie Joh. XII : 1—8. Dien avond vóór
den Intocht waren allen te zamen aan
den avondmaaltijd — waar(Zïe Les LVIII,
Aant. 4)? Wat bracht Maria er toe om
Jezus zoo te zalven? vers 7 — (a) zij had
Hem meer lief dan zichzelf, (b) zij achtte
niets te goed voor Hem; (c) zij gaf dus
het beste, wat zij had om Hem te eeren.
Judas deed juist het tegenovergestelde —
hij had zichzelf meer lief dan Jezus —
waarover beklaagt hij zich? vers 5; en
wie stemt met hem overeen? (Matth. XXVI;
j 8, 9). Maar wat denkt Jezus er van? Wij
zouden misschien verwachten, dat Hij
Judas gelijk gaf, omdat Hij altoos zooveel
aan de armen dacht (Luk. XII: 33, XIV:
13, XVHI : 22). Neen — zonder twijfel
was Maria goed voor de armen — maar
waarom zoude zij ook niet Hem eeren?
Wie het meest weldoet, houdt toch nog
veel voor zichzelf — welnu, Maria bracht
Jezus, wat niet voor de armen, maar voor
haar zelf bestemd was. Maar waarom be-
klaagde Judas zich nu aldus? Om zijne
groote weldadigheid? Neen, hij had wel
gaarne de 120 gulden gehad, die de zalf
« voor de armen » zou hebben opgebracht,
en dan?
3. Judas, de verrader.
Die berisping te Bethanië heeft zijne
ontevredenheid gaande gemaakt. En dan
al de aanslagen op Jezus gedurende de
volgende drie dagen — wat moest hij er van
denken? Hij begon te vreezen, dat hij aan
den verliezenden kant was — zijne droomen
van rijkdom en macht verdwenen alle —
biltere wrok bleef in zijn hart over. Daarna
die laatste verrassende woorden op den
Olijfberg (Matth. XXVI : 1, 2) — dat
Jezus binnen twee dagen moet sterven! —
dan is al zijn hoop vervlogen.
En zie nu wat met hem gebeurt. Luk.
XXH: 3. De Satan, « die omgaat, zoekende
wien hij zal mogen verslinden» (1 Petr.
V : 8), maakt zich meester van den zelf-
zuchtigen, begeerigen, ontevreden man.
Eene zwarte gedachte — indien de Meester
moet sterven, waarom zou ik er dan geen
voordeel van trekken? — zonder twijfel
zouden de oversten gaarne eene som gelds
geven voor eene gelegenheid om Jezus
zonder opschudding te grijpen. Geld —
daaraan kan hij geen weerstand bieden.