Boekgegevens
Titel: Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Deel: II: Nieuwe Testament
Auteur: Stock, Eugene
Uitgave: Rotterdam: D.A. Daamen, 1899
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1149
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206458
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Vorige scan Volgende scanScanned page
316
LXVIII. DE SAMENZWEERDERS, 316
geheel Jeruzalem in opschudding gebracht
— a het moet de Messias zijn! » Zie wat
het gevolg er van is, Joh. XII : 11. De
groote raad, het «Sanhedrin» {zie Aant.
1) wordt dus bijeengeroepen, om de zaak
te bespreken.
Naar alle waarschijnlijkheid duren de
beraadslagingen lang — sommigen stellen
dit voor, anderen brengen dat aan — zeker
komen sommigen er tegen op om Jezus
te dooden (zie Joh. VII : 50, 51; Luk.
XXIH : 50, 51) — misschien deinzen
anderen, ofschoon Hij zelfhun onverschil-
lig is, terug voor het vergieten van on-
schuldig bloed — maar (zeggen sommigen)
« aan welk een gevaar stellen wij ons dan
bloot! het volk zal opstaan en wat zullen
de Romeinen doen?» (vers 48). Wie staat
eindelijk op? vers 49. Een Sadduceër (Hand.
V : 17) — dus iemand, die zich niet veel
bekommerde om hetgeen Jezus leerde —
indien Hij de Farizeën aanklaagde, zooveel
te beter; maar zelfs Kajafas zou bevreesd
zijn voor het gevaar om de Romeinen te
beleedigen — aan hen was hij zijn hooge-
priesterschap verschuldigd {zie Aant. 2)
en hoe rustiger hij de Joden hield, hoe
langer hij zijne waardigheid zou behouden.
Wat raadt hij aan? vers 50; ongeveer
dit — «Waartoe deze ontsteltenis? Wat
is het leven van een onbekenden Galileër
waard? Het is beter hem te dooden, in-
dien dit het geheele volk voor ondergang
zal bewaren — wij moeten vaderlands-
lievend zijn, eerst aan ons eigen land
denken ».
Het noodlottige besluit werd dus geno-
men ; sommigen verheugden zich, anderen
onderwierpen zich aan de « treurige nood-
zakelijkheid ». Spoedig daarna hebben zij
Jezus gedood: werd het volk gered? In-
tegendeel, het berokkende hun dat vreese-
lijke oordeel, waarvan wij kort te voren
gesproken hebben {Les LXV). En toch
had Kajafas gelijk op een wijze, die hij
nooit bedoeld had, zie vers 51, 52 — God
gebruikte dezen man, zooals Hij Bileam
gebruikt had, om eene groote waarheid
uit te spreken — welke waarheid? Dat
i Jezus voor hen zoude sterven — ja, en
voor anderen ook (Jes. XLIX : 6) — en
Zijn dood zou duizenden van menschen
! bewaren voor een erger lot dan dat van
I Jeruzalem. Hoe zou dit zijn?
3. Hunne verlegenheid gedurende die
week. «Van dien dag af» (vers 53) voort-
durend beraadslagingen. Denk nu aan
hetgeen de eerste drie dagen gebeurd
was: de Plechtige Intocht, het Reinigen
van den Tempel, enz., enz. — «de geheele
wereld ging Hem na », zooals het scheen
(Joh. XII : 19). Zijne vijanden zijn geheel
uit het veld geslagen (Luk. XIX : 47,48)
— hunne strikvragen baten niet (Matth.
XXII) — hunne boosheid wordt openlijk
aan de kaak gesteld (Matth. XXHI); en nu
roepen zij nogmaals den raad bijeen (^Matth.
; XXVI : 3—5), maar weten nog niet, wat
zij doen zullen. Eindelijk zien zij, tot
hunne groote vreugde, een weg voor hen
I openstaan — aanstonds zullen wij daar-
; over spreken.
j n. De valsche vriend,
j Een tijdlang waren er vele valsche vrien-
den geweest. Zie Joh. VI : 60,66 — maar
hadden allen Jezus toen verlaten? Wie
bleven standvastig ? Zie de volgende verzen.
Zelfs dan is er onder deze getrouwe
twaalven «een duivel»! — (de laatste
twee verzen).
1. Judas, de Apostel.
Hoe was zulk een man er toe gekomen
om een discipel van Jezus te worden?
Zonder twijfel had hij, evenals de anderen,
gedacht, dat Jezus de Messias was, ver-
wacht, dat Hij Koning zou zijn; dan zou
hij rijkdom en eer aan het hof trachten
te verkrijgen. Wat had Jezus gezegd, dat