Boekgegevens
Titel: Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Deel: II: Nieuwe Testament
Auteur: Stock, Eugene
Uitgave: Rotterdam: D.A. Daamen, 1899
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1149
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206458
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Vorige scan Volgende scanScanned page
313 LXVII. OP DEN OLIJFBERG. OVER HET LAATSTE OORDEEL.
komen, die het oppassen en genezen —
achten de ouders dit dan niet eene
weldaad, die hun gedaan is?). Zijne
«broederen»! hoe dat? De Zoon van God
is « den menschen gelijk geworden » (Phil.
n : 7) — Hij verbond zich dus in zekeren
zin met de geheele broederschap, het
geheele geslacht der menschen (Zie ^ani.
3). Stel u dus voor, dat wij een mensch
in armoede en lijden zien — wij zijn half
geneigd hem wel te doen — ons eigen
ik zegt «Neen», ons geweten zegt «Ja»
— die man is de vertegenwoordiger van
Christus. {Voorbeeld. —Als een vermomde
Koning). — Zooals wij hem behandelen,
zullen wij geacht worden Christus te be-
handelen! Indien wij zeggen: «Deze man,
hoe gering en slecht hij ook zij—(er staat
«een van deze minsten») is mijn broeder
— is onsterflijk zooals ik — Christus
heeft even goed voor hem als voor mij
geleefd, is zoowel voor hem als voor mij
gestorven — om Christus' wil moet ik
mijn eigen ik verzaken en hem weldoen »
— dan ziet de Heer Jezus het, en gevoelt
het, als werd het Hem zelf gedaan. Maar
indien wij zeggen «Wat gaat dit mij aan?»
(verg. Gen. IV : 9) en ons afwenden —
dan ziet en gevoelt Hij het ook. Zie Spreuk.
XIV : 31, XIX : 17; Zach. II : 8; Hand.
IX : 4.
Sommigen denken, dat op hen niets is
aan te merken, omdat zij (zooals zij zeggen)
« geen kwaad hebben gedaan Maar merk
wel op, de vraag is: «Wat goeds hebt gij
gedaan? »
IV. De Uitspraak.
Voor de rechtvaardigen, vers S^. «Een
koninkrijk, dat bereid is» voor hen —
God had aan hen gedacht, voordat één
van hen leefde! Zie Jer. XXXI : 3. Hoe-
danig is het? 1 Cor. II : 9 — niet te
bevatten! Om het te «beërven» (verg.
Col. I : 12; 1 Petr. 1:4) — hoe is dit?
« Kinderen Gods », daarom erfgenamen,
Rom. VIH : 17. Geen wonder, dat zij
« gezegend » genoemd worden !
Voor de boozen, vers 41. Een «eeuwig
vuur» — wie kan zeggen wat dat is? —
evenmin te bevatten — daarvan zou men
ook kunnen zeggen: «Het oog heeft niet
gezien j», enz. Zie hoe het elders genoemd
wordt, Dan. XH : 2; Matth. XHI : 40,
42; Mark. IX : 43—48; Rom. H : 8, 9;
2 Thess. I : 9. Het is ook «bereid» —
maar niet voorAen— God «heeft geen lust
in den dood eens zondaars» (Ezech. XVHI:
23; Luk. XHI : 34; 2 Petr. III : 9) —
voor wie dan? (Verg. 2 Petr. II : 4;
Judas 6).
« Komt» en « Gaat weg » — welke ver-
schillende woorden! Nu zegt Hij «Komt»
tot allen (Jes. I : 18, LV :1; Matth. XI:
28; Openb. XXH : 17); laat ons niet,
zooals sommigen (Job XXI: 14), tot Hem
zeggen: «Ga weg».
Welke wonderbare woorden werden daar
uitgesproken! Met welk eene verbazing en
een ontzag zullen de discipelen er naar
geluisterd hebben! Welk een diep gevoel
zullen zij gehad hebben van de ware groot-
heid van hun Meester!
Toch is er iets, dat nog wonderbaarder
is. Op al deze machtige en koninklijke
gezegden volgen — welke woorden? Zie
de twee eerste verzen van het volgende
hoofdstuk: De Zoon des Menschen zal
overgeleverd worden, om gekruisigd te
worden. Zal diezelfde Koning en Rechter
van allen na twee dagen op het schandhout
sterven! Geen wonder, dat de discipelen
meer dan ooit verschrikt en verslagen zijn.
Maar ons aangaande — wat heeft
die heilige dood voor een beteekenis voor
ons? Weten wij niet, dat al onze goede
en onzelfzuchtige daden den Hemel niet