Boekgegevens
Titel: Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Deel: II: Nieuwe Testament
Auteur: Stock, Eugene
Uitgave: Rotterdam: D.A. Daamen, 1899
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1149
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206458
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Vorige scan Volgende scanScanned page
312 LXYIK OP DEN OIJJKJiERd. — OVER HET LAATSTE OORDEEL.
jongen, — zieken en gezonden, en bij deze i
nog zoovele graden] maar welk verschil ;
maakt hel dan in welke dezer klassen wij i
zijn? En die laatste verdeeUng kan niet i
vóór dien tijd geweten worden: wie zou
deze school met juistheid in goeden en j
slechten kunnen verdeelen? Christus weet :
het nu; maar Hij laat ze nog allen bijeen —
slechten kunnen goed worden {hoe vurig ,
wenscht Hij dit!). Maar dün worden zij :
voor eeuwig gescheiden! Zie de gelijkenis '
van het Onkruid en de Tarwe, en van
het Vischnet, Matth. XIH. En dan zullen |
wij zien, aan welken kant ieder komt te
staan. Mal. Hl : 18.
m. De Bewijzen.
Maar waartoe bewijzen? Zijn zij niet
reeds gescheiden? Ja, de Rechter weet j
alle dingen en Zijn oordeel kan niet l'alen
(Gen. XVHI : 25); maar allen moeten
Zijne rechtvaardigheid zien, hooren waarom
de een aan Zijne rechter-, de ander aan
Zijne linkerhand is. {Voorbeeld.— Zelfs al
had een rechter demisdaad gezien, wist,
dat de gevangene schuldig was, zou hij
dan een vonnis uitspreken zonder eene
openlijke rechtszitting?).
Van welken aard zijn die bewijzen?
(а) Hoe beoordeelen wij iemands gods-
dienst? Zie 1 Sam. XVI: 7— « de mensch
ziet aan wat voor oogen is», het spreken,
of de manieren, of de gewoonte om naar
de kerk te gaan, enz. Is dit do juiste
wijze? Indien dit zoo ware, dan zouden
de Farizeën de hoogste plaats in den Hemel
hebben! Dit zijn dus nog geene bewijzen.
(б) Hoe beoordeelt God iemands gods-
vrucht? Zie nog eens 1 Sam. XVI : 7,
«de Heer ziet het hart aan». En op die
wijze wordt de groote scheiding gemaakt.
Maar hoe kon, in die groote menigte, een
ieder het hart van zijne medemenschen
zien? Dit is dus ook niet het bewijs.
(c) Wat dan? Welnu, iets, waaraan men
kan zien, hoe de harten zijn — een be-
wijs — ( Voorbeeld. — Eve^ials men door
middel van een zuur de aanwezigheid
van goud bewijst). Wat is dan het bewijs?
De werken, Jak. H : 18; en ook somtijds
de woorden, Matth. XH : 34—37. Deze
zullen voor aller ooren gelezen worden.
Gelezen! hoe? zie Openb. XX : 12 —
«in de boeken geschreven ».
{d) Maar Jezus spreekt niet van al deze
dingen — Hij noemt slechts ééne soort
van werken — omdat deze zulk een
I zeker bewijs zijn. Woorden en werken
zijn niet altijd een zeker bewijs, zie
Matth. Vil : 22, 23. Zie, wat Hij opnoemt,
I vers 35, 36, 40. 42, 43, 45 (verg. Job
' XXH : 7, XXXI : 19, 20; Jes. LVHI : 7;
I Ezech. XVIII: 7 ; Matth. X : 40—42; 2 Tim.
1 : 16; Hebr. XHI : 3; Jak. I : 27, H :
14—16). Stel u nu voor iemand, die deze
dingen, of sommige er van, doet — de
hongerigen voedt, de naakten kleedt, zorgt
; voor degenen, die geen huis hebben, de
{ zieken en de gevangenen bezoekt — wat
zoudt gij dan van hem zeggen? aOnzelf-
I zuchtig», hij denkt niet aan zijn eigen
gemak en rust, offert zichzelf op ter wille
I van anderen. Evenals de barmhartige
, Samaritaan. Evenals Christus zelf (Rom.
! XV : 3; 2 Cor. VHI : 9, Phil. II : 4, 5).
i Maar om zoo te zijn moet eerst de eigen-
j liefde uit het hart verbannen worden —
liefde voor anderen in de plaats komen —
en om dit tot stand te brengen, moeten
wij slechts denken aan de liefde van
Christus voor ons {zie deze gedachten uit^
gewerkt en toegelicht in Les LVH). Het
doen of niet doen van deze dingen is dus
een teeken van hetgeen in ons hart is.
Maar waarom zegt Hij, dat het goede,
dat aan anderen gedaan wordt, aan Hem
zelf wordt bewezen? Omdat het Zijnen
« broederen » gedaan wordt. (Voorbeeld. —
Indien een kind ziek is — er vrienden