Boekgegevens
Titel: Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Deel: II: Nieuwe Testament
Auteur: Stock, Eugene
Uitgave: Rotterdam: D.A. Daamen, 1899
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1149
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206458
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Vorige scan Volgende scanScanned page
311 LXVII. OP DEN OLIJFBERG. OVER HET LAATSTE OORDEEL.
Schets van de Les.

Wanneer er eene gewichtige zaak voor
het gerecht is — met hoeveel belangstel-
ling wordt deze dan gevolgd! ( Voorbeeld. —
Rechtszittingen — menigten van men-
schen in en vóór het gerechtshof —
ongeduld om de nieuwsbladen in handen
te krijgen). De uitspraak — met hoeveel
verlangen wordt er naar uitgezien! Het
vonnis — welk eene stilte, wanneer het
uitgesproken wordt! En indien reeds de toe-
schouwers er zooveel belang in stellen,
hoeveel meer, indien wij er zelf in betrok-
ken zijn — wanneer ons eigendom of de
naam van iemand, die ons dierbaar is,
op het spel staat 1 Maar indien een onzer
voor de rechtbank moest komen — indien
het afhing van schuldig- of niet-schuldig-
verklaring, of wij vrij of in de gevangenis,
gerechtvaardigd of met schande bedekt
werden — hoe pijnlijk is dan het belang,
dat wij er bij hebben! Die eene zaak zou
ons steeds in de gedachten wezen — al
het andere niets geacht!
Er is eene rechtbank, waarvoor wij
allen moeten staan; zie iB^en tekst om te
leeren. Hiervan spreekt Jezus ook dien
avond op den Olijfberg.
Het moet langzamerhand laat geworden
zijn — misschien is de zon leeds onder
gegaan, de nacht ingevallen — de Apostelen
luisteren nog met aandacht naar Jezus,
vreezen een enkel Zijner plechtige woorden
te verliezen {herhaal de twee vorige
Lessen). Iets moet Hij hun nog zeggen —
het antwoord geven op hunne derde vraag
<zie XXIV : 3) — beschrijven hoedanig
het Laatste Oordeel bij het Einde der
Wereld zal zijn. {Lees dit gedeelte),
I. De Rechter.
Wie zal dat zijn? zie Joh. V : 22, 27;
Hand. X : 42, XVH : 31; Hom. XIV: 40.
Hoe zal Hij komen? vers 31. (a) Denk
aan de kribbe te Bethlehem, de timmer-
manswerkplaats te Nazareth, het visschers-
vaartuig op het Meer, het kruis op Gol-
gotha — denk dan aan «dezen Jezus»
(Hand. I : 11), zittende «op den troon
Zijner heerlijkheid »I (b) Bedenk hoe Hij
op aarde omringd was door onwetende,
zieke, zondige menschen, onstandvastige
vrienden, hevige vijanden — denk dan
aan Hem in het midden der «heilige
engelen » — die « allen » (zie Hebr. XH :
22; Openb. V : 11) met Hem zijn.
Het is gemakkelijk zich nu van Hem
af te keeren, Zijne roepstemmen te ver-
smaden, met Zijn volk te spotten — maar
wat zullen wij Wangevoelen? —wanneer
aller oog Hem zal aanschouwen, bekleed
met den verblindenden glans Zijner Majes-
teit! (Zie Openb. I : 7).
II. Zij, die geoordeeld worden.
Wie kan zich eene voorstelling maken
van die menigte I Indien alle bewoners
eener stad bijeen waren, welk eene schare
zou het dan zijn! — hSer zijn « alle volke-
ren». Meer nog — bij eene volkstelling
houden wij geene rekening met dedooden —
maar hier, zie Openb. XX : 11—13 ; alle
geslachten! — ook de dooden leven weder—
een ieder is weder aangedaan met eene
ziel en een lichaam. Doet dit het minder
schrikwekkend lijken? — gemakkelijk
voor een enkel mensch om onopgemerkt
te blijven in de schare? Ja, maar indien
«aller oog Hem zal zien», zal Zijji oog
ook iedereen zien.
Wat zal dan de Hechter doen? vers 32,
33. Is het moeilijk voor een herder om
dit te doen? Vergist hij zich wel eens?
Wees er zeker van, dat dit den grooten
Herder niet zal overkomen. Hoevele afdee-
lingen? Slechts twee? Bedenk hoevele er
nu zijn! — rijken en armen, ouden en