Boekgegevens
Titel: Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Deel: II: Nieuwe Testament
Auteur: Stock, Eugene
Uitgave: Rotterdam: D.A. Daamen, 1899
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1149
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206458
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Vorige scan Volgende scanScanned page
330 LXVI. op DEN OLIJFBERG. — OVER DE WEDERKOMST VA N CHRISTUS.
dat hij niet meer had gedaan — hoe
minder hij te maken had met zulk een
« hard mensch » des te beter!
Wat ontvangt hij? Straf? Maar waarom?
Hij heeft niet gestolen of door bedrog ont-
vreemd — niet als de Rentmeester (Luk.
XVI) of de Verloren Zoon (Luk. XV) of
de Schuldenaar (Matth. XVIII); maar wat
had hij kunnen doen? {zie Aant. 5) —
indien hij bevreesd was om handel te
drijven, had hij zijn geld toch in de Bank
kunnen doen — om zoodoende rente te
krijgen. ( Verklaar). Terwijl dus zijne mede-
dienstknechten met hun Meester ingaan
om feest te vieren, wordt hij in «de
buitenste duisternis » gelaten.
Wij moeten ook rekenschap geven aan
God, Rom. XIV : 12; 2 Cor. V : 10.
Waarvan? Van alles. {Voorbeeld. — Aan
een jongen zijn tien gulden toevertrouwd
— is het genoeg^ indien hij er van negen
rekenschap geeft, of van negen en een
half'?) Het is niet voldoende, wanneer
alleen 's Zondags een enkel uurtje aan God
wordt gewijd — alles wat wij hebben is
het Zijne, en moet voor Hem gebruikt
worden.
Zal een onzer eene belooning verdienen?
Niet een. Meent gij, dat Paulus iets ver-
diende? Hoe dacht hij er zelf over? 1 Cor.
XV : 10; 1 Tim. 1:15; verg. Luk. XVH :
10. Toch wist hij, dat hij loon zoude
ontvangen, 2 Tim. IV : 8. Waarom?
Omdat Christus een goedertieren Meester
is — meer geeft dan wij verlangen of
verdienen! Zie de teksten om te leeren;
Matth. V : 12, VI : 4, 6, 18, X : 41, 42;
Rom. H : 6, 7; 1 Cor. XV: 58; Gal. VI:
9; 2 Joh. 8.
Maar zijt gij luie dienstknechten? Zijt
gij wel dienstknechten? Kunt gij evenals
Paulus zeggen: «Wiens ik ben, welken ik
ook dien? (Hand. XXVH : 23)? Zie het
doopsformulier. Door den doop zijt gij
gehouden oni Hem aan te hangen, te be-
trouwen en lief te hebben — wat doet gij
werkelijk?
Aanteekeningen.
1. Deze gelijkenis is tot de discipelen
gericht — de heer riep zijne eigen dienst-
knechten — en stelt het gewicht van een
ijverigen christelijken arbeid in het licht.
Er wordt gewezen op het gevaar van I
uiterlijke traagheid, en deze verklaard uit
een geheel verkeerd en zondig gebrek aan
vertrouwen — de luie dienstknecht acht
het te moeilijk den heer te dienen. In de
«talenten » wordt waarschijnlijk reeds aan-
vankelijk gewezen op de Pinkstergaven
aan de eerste Kerk, welke de Heer ver-
leende, toen Hij Zijne discipelen had ver-
laten; zie Ef. iV : 7—12.
2. De slaven van de Grieken en de
Romeinen waren dikwijls menschen, die
allerlei kundigheden of bekwaamheden voor
handenarbeid bezaten; en diegenen onder
hen, welke geschikte handwerkslieden,
knappe dokters of vlugge schrijvers waren,
brachten een hoogen prijs op. Het was
in het geheel geene ongewone zaak, dat
zij diensten verrichtten, gelijk in deze
gelijkenis beschreven wordt.
3. De uitdrukking «de vreugde uws
Heeren » moet doelen op die «vreugde,
welke Christus was voorgesteld, voor
welke Hij het kruis had verdragen» (Hebr.
XH : 2; verg. Jes. LHI: 11) — de vreugde
na het goed volbrengen van eene onder-
neming, vooral waar het de zaligmaking
van zielen betrof. Zie over het deel der
discipelen hierin Les LX. Misschien is er
ook wel eene toespeling op de gewoonte,
volgens welke een meester de vrijheid
gaf aan een slaaf, door dezen uit te noo-
digen met hem aan te zitten.
« Wel» is een uitroep, die bij openbare
spelen gebruikt werd, en beteekent zooveel
als «Bravo».
4. « Gestrooid » doelt zeker op de bewer-
king van het wannen: «Gij dacht met de
hark te verzamelen, waar gij niet voor het
wannen hebt gestrooid ».