Boekgegevens
Titel: Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Deel: II: Nieuwe Testament
Auteur: Stock, Eugene
Uitgave: Rotterdam: D.A. Daamen, 1899
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1149
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206458
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Vorige scan Volgende scanScanned page
12
III. DE VOLHEID DES TIJDS. 12
Schets van de Les.
Eindelijk was de tijd dä;ii% dat de Zoon
mensch zou worden. Eindelijk zou de zoo
lang beloofde Koning en Verlosser komen.
Maar wat was er al dien tijd in de wereld
voorgevallen? Zagen de menschen dank-
baar en vol verwachting naar Hem uit, die
komen zou? Katieën werden verhoogden
vernederd — de menschen werkten, speel-
den, vocliten, aanbaden de afgoden, leefden,
stierven — als ware er geen God — als
hadden zij Hem geheel vergeten.
Had God vergeten? Ps. X : 11—16;
Spr. XV : 3. Wat deed Hij? Gij hebt wel
eens gezien, wanneer oude huizen werden
afgebroken, opdat er nieuwe voor in de
plaats kwamen — ledige ruimte — allerlei
rommel — hier en daar mannen aan het
werk — groote steenen, die aangedragen
worden — palen, die men opzet — alles
schijnt wanorde — maar wie is voort-
durend bezig toe te zien, te zorgen, te
regelen? God is gelijk aan den architect,
Ps. CXV:3; Jes. XL: 22; Dan. IV: 35 —
die lange tijd diende tot voorbereiding
voor de komst van Zijn Zoon. Eindelijk
was alles gereed. Beschouwen wij heden
den toestand der wereld, toen Hij kwam.
I. Het Romeinsche Rijk,
1. De wereld was toen niet wat zij nu
is — de Keizer regeerde te Home over
landen in het Noorden, Zuiden, Oosten
en Westen — geen Pharao in Egypte,
Hiram te Tyrus, Benhadad te Damascus
of Sanherib te Ninevé — de groote konink-
rijken, in het O. Testament genoemd, alle
vergaan — Rome overal (Zie Luk. 11:1).
Zoo had God aan Daniël gezegd (H : 40,
VH : 23). Dit was juist de tijd, waarop
het Evangelie gepredikt zou worden —
waarom? Indien er vele koninkrijken,
verschillende regeeringen, oorlogen waren
geweest, hoe hadden de Apostelen dan
zoo gemakkelijk rond kunnen reizen {Zie
Aant. 1, 2)?
2. Nu, indien er in Nederland een boek
gedrukt wordt, kan men het in Frankrijk,
Spanje enz. niet lezen, als het niet ver-
taald is. Een van de moeilijkste zaken
voor een zendeling is, de taal van het
volk, waarheen hij gaat, te leeren. Maar
toen — ééne taal over het geheele Ro-
meinsche Rijk, niet de Romeinsche (Latijn),
maar het Grieksch — zulk eene schoone
taal, dat, toen Griekenland veroverd werd,
de trotsche Romeinen haar zelfs leerden.
Dus kon Paulus, toen hij in het Grieksch
predikte, overal verstaan worden; toen
hij Grieksche brieven schreef (de brieven
in onzen Bijbel), hoe velen konden ze toen
lezen {Zie Aant. 3)?
3. Maar welke soort van menschen
leefden in het groote rijk, spraken de
schoone taal? Velen waren rijk en zelf-
zuchtig— anderen onderdrukt en ellendig
— groote verdorvenheid (Rom. 1: 28—32).
Nu schamen vele menschen, die God niet
liefhebben, zich dikwijls te zondigen —
zeer weinigen schaamden zich toen. Zeer
weinigen dachten zelfs aan hunne valsche
goden; indien zij het deden, was het slechts
om er winst mede te bejagen (zooals de
zilversmeden te Ephesus, Hand. XIX).
Verstandige lieden wisten, dat de afgoden
tot niets nut waren, maar dachten er
nooit aan, dat de groote God altijd op hen
neerzag, 1 Cor. 1: 21; zij konden zien, dat
de zaken zeer slecht stonden, maar wisten
geen geneesmiddel; zij hadden vele wonder-
lijke dingen uitgevonden, maar konden
de menschen niet goed maken — zich
zeiven dikwijls ook niet. Zie de droevige
woorden in Ef. II : 12 {Zie Aant. 4).
Dus, toen het Evangelie kwam, was de
wereld gereed, want er was —