Boekgegevens
Titel: Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Deel: II: Nieuwe Testament
Auteur: Stock, Eugene
Uitgave: Rotterdam: D.A. Daamen, 1899
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1149
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206458
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Vorige scan Volgende scanScanned page
308 LXVI. op DEN OLIJFBERG. — OVER DE WEDERKOMST VA N CHRISTUS.
Maar een van hen is geheel anders —
hij doet niets. Hij bewaart zijn talent —
maar waar? Waartoe dat?
(a) Hij vreest voor zijn meester, vers
25. Waarom? zie vers 26 — hij achtte
hem « een hard mensch ». Hij dacht aldus:
«Wanneer ik met dit geld handel drijf,
zal de meester komen en al mijn winst
nemen, vergetende, dat dit mijn werk, en
niet het zijne was — misschien zal hij mij
straffen, omdat ik niet meer heb verdiend;
ik zal liever geen poging wagen ».
(b) Misschien dacht hij ook wel: « Het
is zoo weinig! indien hij evenveel aan mij,
als aan de anderen had gegeven, ja dan —;
maar één talent! het is de moeite niet
waard! »
(c) De ware reden: hij was lui, vers 26.
Ja, en ook «boos», zelfzuchtig — voor
zichzelf zoude hij zeker hard genoeg
gewerkt hebben.
Wat doet gij met uwe «talenten»?
Denkt gij alleen aan uzelven? Of tracht gij
naar uw vermogen goed te doen? Gij
moest het gevoel hebben — «God heeft
mij dezen leertijd gegeven — ik moet er
zooveel mogelijk voordeel van trekken;
dezen vrijen tijd — laat ik dien goed
gebruiken; deze betrekking, welke ik ga
bekleeden — ik moet ijverig en getrouw
zijn; deze kunde en geschiktheid om te
leeren — ik kan anderen voorthelpen; dit
geld — ik moet het niet verspillen, maar
met zorg besteden, het met zelfopoffering
opsparen, en het ook uitgeven voor Gods
eigen werk; dit mijn leven — misschien
duurt het niet lang — iets moet ik er
mede doen voor mijn liefderijken Meester».
Zegt gij, evenals de booze dienstknecht:
«God is zoo streng—nooit kan ik Hem be-
hagen — het is tevergeefs om het te beproe-
ven » ? (verg. Job XXI : 15, Mal. I : 13)
— dat is een verkeerd denkbeeld; wij
zullen aanstonds zien, hoe edelmoedig Hij is.
Zegt gij: «Ik kan niets doen — ik heb
zoo weinig»? Maar gij hebt een talent,
in alle geval een half! Denk aan het
Joodsche meisje (2 Kon. V), de weduwe
van Zarfath (1 Kon. XVII), de weduwe
van Jeruzalem (Mark. XII : 41—44), het
jongsken met de brooden (Joh. VI: 9—11).
Zie 2 Cor. VIH : 12.
m. Het rekenschap-geven van
de talenten.
De meester is teruggekomen — allen
komen bij hem om rekenschap te geven.
1. Hoe verlangend zijn de getrouwe
dienstknechten om te vertellen wat hunne
winst is! ( Voorbeeld. — Een jongen, die
zijn vader vertelt van zijn eersten dag in de
werkplaats). Komt er eenige zelfverheffing
bij ? Eerder dankbaarheid — « Gij hebt
het mij gegeven — dat ik geslaagd ben,
heb ik aan uwe goede leiding te danken »
(Ps. CXV : 1; 1 Cor. XV : 10).
Zie nu het antwoord — spreekt een
«hard mensch» aldus? Is hij ontevreden,
omdat er niet meer gewonnen is, maakt
hij aanmerkingen — «Alles is goed en
wel, maar gij hadt beter kunnen doen » ?
Hoe geheel anders! — edelmoedig klinkt
zijn antwoord: «Gij hebt goed gedaan!»
— en de belooning — misschien geeft hij
den slaaf zijne vrijheid {Zie Aant. 3).
Daarna de tweede — wordt hij minder
geprezen ? — neen — hij heeft even goed
gehandeld als de eerste — hoe?
2. Nu de luie dienstknecht — komt hij
met schaamte en zelfverwijt? Geenszins,
— (a) Hij is zeer tevreden met zichzelf
— «Hier hebt gij het uwe!» — alsof het
een groote verdienste was, dat hij het niet
had gehouden, of voor zichzelf besteed,
of misbruikt. Maar gaf hij alles lerug,
wat hij ontvangen had ? Hoe stond het met
den tijd en de gelegenheden, die hij voorbij
had laten gaan? (6) Hij beklaagt zich —
alsof het de schuld van den meester was.