Boekgegevens
Titel: Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Deel: II: Nieuwe Testament
Auteur: Stock, Eugene
Uitgave: Rotterdam: D.A. Daamen, 1899
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1149
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206458
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Vorige scan Volgende scanScanned page
304
LXV. AANHANGSEL OVER DEN VAL VAN JERUZALEM.
meer in het bijzonder tot de Apostelen
en tot leeraars in het algemeen gericht,
de tweede en de derde wijzen op de nood-
zakelijkheid van waakzaamheid en dienst-
ijver voor de geheele Kerk.
5. Het laatste gedeelte, hoofdst. XXV :
31—46, beschrijft dat oordeel, hetwelk het
« einde der wei eld waarnaar de discipelen
vraagden, kenmerkt. Het schijnt duidelijk
te zijn, dat dit het oordeel van Openb.
XX : il—15 is, beschreven als aan het
einde van dat geheimzinnige tijdpeik
komende, dat op de Wederkomst volgt;
en dat het « komen » van Matth. XXV :
31 wel Ie onderscheiden is van dat van
hoofdst. XXIV : 30. Dit punt wordt na-
tuurlijk nog zeer betwist; maar zonder
in strijdvragen over de profetieën te treden,
kunnen wij toch in de hoofdstukken, die
voor ons liggen, opmerken, (1) dat er
geene melding wordt gemaakt van een
oordeel in verband met het « komen » van
het *24ste hoofdstuk, voor hetwelk het
hoofddoel is • het bijeenvergaderen der
uitverkorenen uit de vier winden»; eu
(2) dat de belijdende Kerk alleen in de
drie voormelde gelijkenissen voorkomt,
terwijl wij in hoofdst. XXV : 32 «alle
volkeren » voor den Koning vergaderd zien.
De ruimte laat niet toe, dat wij nog in
bijzonderheden naar andere teksten ver-
wijzen, maar de volgende plaatsen in de
Schrift kunnen in verband met dit onder-
werp bestudeerd worden: Mal. IV; Matth.
X : 23; XVI : 27, 28; 1 Thes^. IV, V;
2 Thess. II; 2 Tim. IH; 2 Petr. H, Ht;
Judas; Openb. VI, XVI. XIX, XX.
AANHANGSEL XL — DE VAL VAN JERUZALEM.
De geschiedenis der .loden, sedert den
tijd, dat de Heer op aarde was, kan in
het kort aldus beschreven worden:
De kruisigifig had plaats in het jaar 30.
In het jaar 36 werd Pdatus afgezet. In
het jaar 41 werden, met genadige ver-
gunning van Keizer Claudius. de provinciën,
die vroeger het koninkrijk van Herodes
den Grooten bevatten, {zie Les VII. Aant.
5) hereenigd onder diens kleinzoon Herodes
Agrippa (de Herodes van Hand. XH), onder
wien Jeruzalem verder vergroot en ver-
sterkt werd, en de Joden eene groote
welvaart genoten. Na zijn dood, in het
jaar 44, kwam Judea weder rechtstreeksch
onder de heerschappij der Romeinen, en
negen jaar later bereikte de onderdrukking
der opeenvolgende stadhouders haar top-
punt in de losbandigheid en dwingelandij
van Felix (Hand. XXIV), die, volgens
Tacitus. «een koninklijden schepter ge-
zwaaid heeft met den geest eens slaafs»»,
en de Joden bij honderden heeft laten
kruisigen. Zijn opvolger Festus was een
rechtvaardig man; maar Albinus, die na
hem kwam, bleek inhalig en wreed te zijn,
en onder Gessius Florus (iu het j. 65), die
al zijne voorgangers in baatzuchtigheid
overtrof, verzetten de Joden zich eindelijk
(in het j. 66) openlijk tegen hunne over-
heerschers.
Er was echter geene eensgezindheid bij
het volk. Hevige oidusten braken er in de
hoofdstad uit tusschen de verschillende
partijen, die elkander den voorrang be-
twistten; bij Josephus wordt herhaaldelijk
melding gemaakt van verraad, gewelde-
1 narij, moord en doodslag. Eindelijk be-
haalden de Zeloten, eene partij van
gewetenlooze dwepers, uit het schuim
der bevolking samengeraapt, die van geene
schikking wilden hooren en zich meteede
hadden verbonden om de Romehien tol
het laatste toe te weerstaan, de overhand
op de meer gematigde partij en eigenden
zich de hoogste macht toe — welke echter
spoedig verbroken werd, daar er in hun
eigen midden verdeeldheid en vijandschap
ontstond.
Ondertusschen deed Cestius Gallus, de
Romeinsthe prefect van Syrië, een aanval
op de stad, maar hij werd teruggeslagen,
vervolgd, en bij Beth-horon geheel ver-
slagen. De oorlog duurde drie jaar voort,
en het Romeinsche leger beroofde en ver-
woestte langzamerhand, niettegenstaande
deze nederlaag, het geheele land, terwijl
de meeste ongelukkige bewoners op ellen-
dige wijze omkwamen. Eindelijk, in de
i lente van het jaar 70, verscheen Titus voor
de muren van Jeruzalem, en het laatste
beleg nam een aanvang. De eerste en
tweede rij muren, welke de stad aan de
noordzijde beschermden, werden in April
overmeesterd. Het bleek echter zoo moeilijk
te zijn om verder voort te dringen, daar
de verdedigers met niet minder vuur en
vindingrijkheid te werk eingen dan de
aanvallers, dat men besloot de geheele 1
stad le om^uigelen, en door den krachtigen