Boekgegevens
Titel: Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Deel: II: Nieuwe Testament
Auteur: Stock, Eugene
Uitgave: Rotterdam: D.A. Daamen, 1899
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1149
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206458
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Vorige scan Volgende scanScanned page
LXV. AANHANGSEL OVER DE UITLEGGING VAN MATTH. XXIV EN XXV, 303
de Tweede Komst; maar de betrekking
van de Wederkomst des Heeren lot het
Laatste Oordeel en het «Einde der Wereld»
is nogr zoo duister voor ons, dat velen
betwijfelen of zij wel onderscheiden moeten
worden.
Niet alleen zijn de voorspelde gebeurte-
nissen in de toespraak vermengd, maar
de uitlegging wordt nog moeilijkei- gemaakt
door het leit, dat de vroegere gebeurte-
nissen voorafschaduwingen zijn van de
latere; zoodat vele uitdrukkingen zoowel
eene aanvankelijke beteekenis hebben in
verband met den Val van Jeruzalem, en
eene latere b*»teekenis in verband met de
Komst van Christus. B. v. do wooiden
«Wie volharden zal tot het einde, die zal
zalig wurden » moeten beteekenen — (I)
drtt die .loodsche Christenen, die, niet-
tegenstaande alle verleidingen (vers5, II)
en vervolgingen (vers 9. 10), slandvHStig
bleven, van de onheilen, die hun volk trollen,
bevrijd zonden worden; (2) dat diegenen,
welke de ergere beroeringen van de laatste
dagen «tot het einde» verdroegen, « al
deze dingen, die geschieden zullen, zouden
ontvlieden« (zie Luk. XXI : 36); terwijl
zij in het algemeen beteekenen kunnen, (3)
dal iedereen, op eiken leeftijd, die tol
zijn eigen «einde», d. i. de dood, vol-
hardt, zalig zou worden. Zoo is het ook
in een zekeren zin waar, dat het Evangelie
«tot eene getuigenis aller volken » gepre-
dikt was, vóór den Val van Jeruzalem
(zie Col I : 6, 23); toch is dit. in zijne
volle beteekenis, ongetwijfeld één groot
teeken van de toekomstige Wederkomst
des Heeren.
De noodlottige gebeurtenis dus, die een
einde maakte aan de .loodsche bedeeling,
was in zekeren zin een « Komen van den
Zoon des Menschen». Hij kwam om zalig
te maken; Hij werd verworpen; en daarna
kwam Hij om te oordeelen. En dit komen,
toen de «tijd der bezoeking») of de «dag
der genade » voor de Joden voorbij was, was
eene voorafschaduwing van de grootere
Komst, als eveneens de «tijden der Heide-
nen » zullen vervuld zijn (zie Luk. XXI: 24).
De waarschuwende teekenen zouden de-
zelfde zijn — omwentelingen in de schep-
pijig, onder de natiën, in de kerk, ver-
volging van hen, die getrouw bleven —
uitgebreide prediking van het Evangelie.
Het is mogelijk, dat ook de onmiddellijk
voorafgaande teekenen dezelfde zullen zijn.
(i Een gruwel der verwoesting» (zie Les LXV,
Aant. 5) zal misschien weder pin de heilige
plaats staan » ; en er is eene in het oog
loopende overeenkomst tusschen de bevrij-
dii»g der Chrislenjo'len van de onheilen,
die over hun volk kwamen (zie Les LXV,
Aant. 6) en het « bijeenvergaderen van de
uitverkorenen uit de vier winden », het-
welk in nauw verband met de verschijning
van Christus in heerlijkheid (Matth. XXIV :
31; verg. Luk. XXI: 36) wordt genoemd.
En daar de verwoesting van den Tempel,
het ophouden van den eeredienst, en het
wegnemen van alles, dat strekken kon om
het Christendom aan eene bepaalde plaats
te binden, onontbeerlijk waren voor de
ontwikkeling, vrijheid en standvastigheid
der zichtbare Kerk, zoo zal ook hel laatste
« vergaderen van alle ergernissen en de-
penen, die de ongerechtigheid doen» (Matth.
Xlll : 41) — de laatste afscheiding van
de «tarwe» en hel «onkruid» — noodig
zijn voor de eindvestiging van de volmaakte
Kerk der verlosten.
Wanneer wij deze voorafgaande beschou-
wingen in gedachten houden, kunnen wij
de toespraak van doze twee hoofdstukken
aldus verdeelen: —
1. Hoofdst. XXIV : 4—14 beschrijft de
algemeene trekken van de toekomst, eerst
in het Joodsche volk (verleidingen, vers
5), de wereld der Heidenen (allerlei onhei-
len, vers 6—8), en de eerste Kerk (ver-
volging, verraad, koelheid, vers 9—13,
en toch voortgang, vers 14); ten slotte
in de wereld en in de Kerk van de latere
dagen.
2. Hoofdst. XXIV: 15—28 verwijst recht-
streeks naar de verwoesting van Jeruzalem,
ofschoon niet zonder tyfiische voorafscha-
duwingen van hetgeen nog toekomende is.
3. Hoofdst. XXIV : 2J—41 voorspelt de
gebeurtenissen bij de Wederkomst, of-
schooji, de aard der profetie in aanmerking
genomen, die voorspellingen, welke een
algemeen karakter droegen, geacht kunnen
worden reeds eene vroegere gedeeltelijke
vervulling Ie hebben gehad. Eene verge-
lijking van dit gedeelte met Luk. XXI :
24—27 toont aan, dat het «terstond» van
vers 29 niet beteekent terstond na de
onheileti over Jeruzalem.
4. Hoofdst. XXIV : 42—51 en hoofdst.
XXV : 1—30 bevatten de toepassing op
het onderwerp van de Wederkomst des
Heeren in drie gelijkenissen: de eerste