Boekgegevens
Titel: Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Deel: II: Nieuwe Testament
Auteur: Stock, Eugene
Uitgave: Rotterdam: D.A. Daamen, 1899
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1149
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206458
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Vorige scan Volgende scanScanned page
302 LXV. AANHANGSEL OVER DE UITLEGGING VAN MATTH. XXIV EN XXV.
woorden (welke zonder twijfel ook eene
verder reikende beteekenis hebben) te ver-
zekeren. De gebrekkige staat der verster-
kingen, de schaarschheid van voedsel, de
veideeldheid in de stnd zelve, enz. ver-
kortten het beleg; en Titus zelf riep uit:
«God heeft voor ons gestreden. Wat
hadden menschelijke handen of werktuigen
tegen deze torens kunnen doen!»
8. Alwaar het doode lichaam zal zijn,
daar zullen de arenden vergaderd wor-
den,» Niet de Romeinsche «arenden»
of standaarden, zooals somtij Is uitgelegd
wordt; het woord beteekent «gieren». Het
is eene spreekwoordelijke uitdrukking:
waar bederf is, daar komt het oordeel, —
zoowel te Jeruzalem als elders.
9. «Leert van den vijgeboom deze
gelijkenis». Wanneer dit eene zinspeling
is op den onvruchtbaren vijgeboom, dien
Christus vervloekt had, dan wordt, op
zijdelingsche wijze, een belangrijke profe-
tische wenk gegeven. De verdorde vijge-
boom zal weder a bladeren uitspruiten».
Israël zal nog vi uchtbaar worden ; en dan
zal de komst van Christus «nabij voor
de deur» zijn.
Deze opvatting wordt ondersteund door
het volgende vers: «Dit geslacht zal geens-
zins voorbijgaan», enz. Indien « geslacht »
in de gewone beteekenis genomen wordt,
dan moet men aannemen, dat vers 29—31
reeds gedeeltelijk vervuld werden bij de
verwoesting van Jeruzalem, hetgeen bijna
niet mf)gelijk schijnt. Zie Aanhangsel X
hieronder. Maar het woord hier (en ook
in Matth. XI : 16. XH : 39, XXIII : 36;
Hand. 11:40; en in Phil. H : 15) beteekent
waarschijnlijk een ras — niet zoo, dat er
alleen bloedverwantschap aangeduid wordt,
maar die overeenstemming in karakter,
welke aan een gezin met zijne nakome-
lingen den eigenaardigen stempel geeft.
« Dit geslacht», d. i. het verdorvene en
ongeloovige Israèl, « zal niet voorbijgaan».
«Het zal niet sterven; het zal zich uit-
breiden over kinderen en kindskinderen,
als een geslacht, dat nltijd hetzelfde zal
zijn als het tegenwoordige; dit geslacht,
dat Mij verwerpt, zal zoo blijven, totdat
het Mij weder iu waarheid Hosanna toe-
roept. De verdorde vijgeboom zal staan
totdat hij weder uitspruit» (Stier). Het
voortdurend afgescheiden bestaan van het
Joodsche volk tot op den huidigen dag is
een vast bewijs voor de waarheid van
deze voorspelling»
AANHANGSEL X. — OVER DE UITLEGGING VAN MATTH. XXIV EN XXV.
Het 2iste en 25ste hoofdstuk van Mat-
theus bevatten ééne toespraak en moeten bij
de uitlegging te zamen genomen worden.
De sleutel voor het recht begrip dier hoofd-
stukken wordt ons gegeven door de vraag
der Apostelen — « Wanneer zullen deze
dingen (nl. de onheilen over Jeruzalem)
zijn, en welke zal het teeken wezen van
Uwe toekomst en van de voleinding der
wereld?» Van de drie onderscheiden din-
gen, die hier vermeld worden, hadden zij
Hem hooren spreken (zie vers2; hoofdst.
X : 15, 23, XHI : 39, 49, XVI: 28, XXIII:
38); en ofschoon zij de betrekking van
het eene tot het andere niet begrepen,
toch kan hunne vraag ons tot gids dienen
bij het bestudeeren van Christus* antwoord.
Geeft de Heer dan een duidelijk ant-
woord op deze drie vragen?
Het is zeker, dat Hij den Apostelen geens-
zins de «tijden en gelegenheden » open-
baarde. Ook is de voorspelling niet zoo
duidelijk, dat zij in staat zouden zijn de
verschillende trekken der drie gebeurte-
nissen te onderscheiden. Evenals er inde
oud-testamentische profetieën voorspellin-
gen zijn, zoowel aangaande de Eerste
Komst van den Messias in vernedering en
Zijne Tweede Komst in heerlijkheid, welke
diegenen, die leefden vóórdat de eerste
serie vervuld was, niet in staat waren te
onderscheiden, zoo is het ook in deze toe-
spraak. «Gebeurtenissen, die veraf liggen
in tijd, kunnen vergeleken worden met
voorwerpen, die ver verwijd^'rd zijn in
afstand. Twee heuvelrijen, waarvan de eene
zich boven de andere verheit, zien er aan
den horizon uit als ééne massa, ofschoon
er vele mijlen tusschenbeide kunnen zijn,
en eerst wanneer de aanschouwer op deu
top van de eerste heuvelrij komt, kan hij
de kloof zien, die haar van de tweede
scheidt» (Wordsworth). W^ij kunnen nu
de vervulling van eenige voorspellingen
waarnemen in de gebeurtenissen, welke
de verwoesting van Jeruzalem voorafgingen
en vergezelden, en de tijdruimte schatten
tusschen deze noodlottige gebeurtenis en