Boekgegevens
Titel: Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Deel: II: Nieuwe Testament
Auteur: Stock, Eugene
Uitgave: Rotterdam: D.A. Daamen, 1899
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1149
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206458
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Vorige scan Volgende scanScanned page
322 LXV. OP DEN OLIJFBERCt. BETREFFENDE DEN VAL VAN JERUZALEM.
3. De vervulling van de verschillende
ttteekenen», door Christus vei meld — ver-
leiders, oorlogen en geruchten van oorlo-
gen, hongersnood, pest, aardbevingen —
wordt ruimschoots bevestigd door de ge-
schiedschrijvers Jozefus, Suelotiius, Tacitus,
enz. Bijv. spreekt Suetonius van «gedurige
droogte» (verg. Mand. XJ:'28); en Seneca
zinspeelt op asirdbevingen in Azië, Ai haja,
Macedonië, Syrië en Cyprus. Op de volgende
plaatsen in Jozefus kan men nadere inlich-
tingen vinden: Antiq. 111:15,3; XX:
5, 1; 7, 6—10; 8, 9; 2l, 38; Bell. Jud.
II : 42, 1—3: 13, 4; IV : 4, 5.
De vermeldmg, door den Heer, van
ft schrikkelijke dingen en groote teekenen »
(Luk. XXl : II) geeft geloofwaardigheid
aan de vreemde verschijnselen, door Jozefus
(Bell. Jud. VI : 5, 3) genoemd en bij
Tacitus aar)geduid. De trelfendste hiervan
zijn: — een meteoor, in den vorm van
een zwaard, die boven de stad hing;
legerschareti en strijdwagens, die in de
wolken gezien werden; luide stemmen,
als van eene menigte, welke men in den
Tempel hoorde.
4. Twee van Christus' voorspellingen
betreffende Zijne discipelen worden toege-
licht door bladzijden van Tacitus. «Ge/ioaf
van alleji om Mijns naams wil».— «Een
geslacht van menschen om hunne mis-
daden gehaat». «.Dan zullen er velen
geërgerd ivorden en elkander overleve'
ren». — «lierst werden er verscheidenen
gegrepen, die bekenden, entoen werd door
hunne getuigenis eene groote menigte van
andfren ook schuldig verklaai d ». (Tacit.
Annal. XV).
5. « Wanneer gij dan zult zien den
gruwel der verwoesting, waarvan ge-
sproken is door Daniël den profeet,
staande in de heilige plaats», enz. Waarop
de drietriaal gebruikte woorden in Daniël
(IX : 27, XI : 31, XII: Vh eigenlijk doe-
len, wor.1t zeer verschillend uitgelegd.
Zooals Alford zegt, hebben zij waarschijn-
lijk betrekking op verscheidene vervullin-
gen, vvaai'van sommige nog in de toekomst
liggen. De bijzondere vervulling bij de
belegej'ing van Jeruzalem moet niet ver-
ward worden (zooals sommige Scliriftuit-
leggers dit doen) met het andere en geheel
verschillende teeken, in Luk. XXI : 20
vermeld. Jezus' waarschuwing aldaar «wan-
neer gij zult zien, dat Jeruzalem van heir-
legersomsingeld wordt», wijst ongetwijfeld
j op den aanval op de stad door Cestius
j Gallus, vier jaar voor het laatste beleg
(zie Aanhangsel XI, blz. 304), hetgeen,
j zooals vanzelf spreekt, door de Christenen
I als een >ein anugenomen werd om te
vluchten. .Maar hier spreekt Christus van
een «gruwel in de heilige plaats», het-
geen den Tempel moet i.eteekenen ; en het
kan niet doelen op de verovering van den
Tenjpel, omdat de Christenen vóór dien
tijd ontvlucht waren; ook niet op de aan-
wezigheid van de Romeinsche standaarden
in Jeruzalem, want zij waren er reeds
verscheidene jaren geweest. De «gruwel»
was, naar alle waarschijnlijkheid, iets, dat
de Joden zeiven hadden veroorzaakt (verg.
2 Kon. XXI : 2—7; Ezech. V : 11, VHI:
6—16), hetgeen de « mate hunner vaderen
zou vervullen» en «verdrukking» tenge-
volge hebben.
Kort na het verstooten van Cestius Gallus
viel de Tempel in de handen der Zeloten
(zie Aanhangsel XI, blz. 304) en verschil-
lende daden van heiligschennis, door hen
bedreven, worden door Jozefus vermeld.
Het is daarom waarschijnlijk, dat de eene
of andere bijzonder ruwe en gewelddadige
ontheiliging gedurende dit «schrikbewind»
door de Christenen als de vervulling (voor
deze gelegenheid) van de profetische woor-
den van Daniël werd beschouwd.
6. De Christenen, gewaarschuwd door
het dubbele teeken, en volgens den kerk-
geschiedschrijver Eusebius, ook door eene
rechtstreeksche aanmaning van God, ge-
hoorzaamden het bevel des Heeren en
vluchtten naar Pella, eene der steden van
Dekapolis, welke vijftig jaar lang de zetel
van de «Kerk van Jeruzalem» werd.
Men heeft ook altijd geloof geslagen aan
de overlevering, dat niet een van de «ver-
achte sekte der Nazareners» in het beleg
omkwam.
(i Bidt, dat uwe vlucht niet geschiede
des wintersy noch op eenen Sabbat». Het
laatste heeft geene betrekking op de Chris-
telijke viering van den dag des Heeren,
daar de Joodsche Zaterdag bedoeld wonlt.
Zij moesten bidden, dat noch natuurlijke
\ noch wettelijke moeilijkheden hun vlucht
mochten verhinderen. Waatschijnlijk had
de vlucht plaats in October, eene zeer
zachte maand in Palestina.
7. «Zoo die dagen niet verkort werden»,
enz. Vele ouistandighedeii werkten samen
om de aanvankelijke vervulling van deze