Boekgegevens
Titel: Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Deel: II: Nieuwe Testament
Auteur: Stock, Eugene
Uitgave: Rotterdam: D.A. Daamen, 1899
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1149
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206458
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Vorige scan Volgende scanScanned page
300 LXV. OP DEN OLIJFBERCt. -BETREFFENDE DEN VAL VAN JERUZALEM.
Vader» — zonder Gods wü; en moetda^
niet het beste zijn? Maar voor het vree-
selijke lijden van Jeruzalem bleven de
Christenjoden bewaard. Zij zagen uit naar
het «teeken» (vers 15; Luk. XXI: 20) —
zoodra zij het zagen, vluchtten zij met
haast, zooals Jezus hun gezegd had (vers
16, 18). en zij ontkwamen {Zie Aant.
5, 6).
Denk aan den verachten Nazarener,
die drie dagen daarna als een verworpen
misdadiger aan het kruis genageld zou
worden, hoe Hij hier op den Olijfberg
zit, en al deze dingen voorspelt! Hoe
waar is vers 35 — « Mijne woorden zullen
niet voorbijg.<an»! Zoo dikwijls gij een
Jood ziet, denk dan aan Christus' onfeil-
b.'ire woorden.
jVtaar die woorden zijn nog niet
alle vervuld.
Neem er twee uit: een omtrent de
Joden, die vernietigd werden — het andere
omtrent de Christenen, die ontkwamen.
1. Vers 28. Jeruzalem was als een « dood
lichaam » overgaand tot bederf — zonder
leven of schoonheid — alles onrein (verg.
XXIII : 27). Daarheen kwamen dus Gods
oordeelen, als arenden, die op buit afkomen
(Zie Aant. 8). Maar maakt het voor aren-
den verschil, waar het doode lichaam is?
Neen — waar ook. Zijn sommigen onzer
«dood door de zonde», verdorven, ver-
werpelijk voor Gods aangezicht? Dit kan
ook met jongens en meisjes het geval zijn.
Wat was de groote zonde van Jeruzalem ?
Venverping van Christus. Zijt gij daaraan
schuldig? Dan verkeert gij in gevaar, door
soortgelijke oordeelen bezocht te worden.
Zegt gij, dat God te goed is? Wat zegt
onze tekst orn te leeren?
(2) Vers 13. Wie ontkwamen aan deze
verschrikkingen? Diegenen, welke voor
een korten tijd Christeneli waren geweest,
en toen hun geloof hadden verzaakt? Neen
— « hij, die volharden zal tot het einde. »
Sommigen uwer hebben zich ot>der de
«discipelen» geschaard. Gij zult hetzelfde
ondervinden als zij — vervolging, verraad,
bedrog; sommigen zullen u kwalijk behan-
delen, sommigen listen tegen u beramen,
sommigen trachten u te bedriegen. Maar
indien gij « zalig» wilt worden, moet gij
«volharden». Is het zeer moeilijk? Zie
wat de Heer tot eenigen dezer eerste
Christenen zeide, Openb IH : 7—12: «Ik
heb u lief» — «Ik zal u bewaren» —
«Ik kom haastelijk»!
Aanteekeningen.
1. Tot gemakkelijker verjjelijking van
hetgeen de drie Evangelislen van deze
toespraak vermelden, worde opg» inei kt —
(a) dat Mattlieus l>et volledigste versla?
geeft, en daarom als uitgnngspunt voor de
siudie dient genomen te worden; {b) dat
Markus er niets belangrijks aan toevoegt,
behalve de namen der discipelen, die de
vraag deden, en de aanwijzingen in vers
11; (c) terwijl er in Lukas gewichtige
aanvullingen zijn in ver?^ 11, 15, 18, 19,
20—24. 25, 26, 34—36. Gedeelten van de
toespraak, zooals Mattheus die geeft, komen
in een ander verband in Luk. XH en XVH
voor.
2. Men was nog in Jezus' tijd beiig den
Tempel te vergrooten en te verfraaien, en hij
was eigenlijk niet eerder gereed dan een
paar jaar voor zijne verwoesting; de disci-
pelen (zooals uit het Grieksch blijkt) wezen
zoowel op drt bouwstoffen als op het ge-
bouw. Lukas spreekt ook van «begiftingen»:
deze waren gouden kronen, schilden en
andere ko««tbare versieiseien, bijgedragen
(onder anderen) door de Herodessen en
de Romeinsche keizers. De voorspelling,
dat de eene steen niet op den anderen
zou blijven, werd letterlijk vervuld wat
den Tempel zelf betreft; de groote steenen,
die men nog in de lagere gedeelten van
den muur van Haran ziet, waren een deel
van den grooten muur, die de geheele
massa der gebouwen en voorhoven om-
ringde.