Boekgegevens
Titel: Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Deel: II: Nieuwe Testament
Auteur: Stock, Eugene
Uitgave: Rotterdam: D.A. Daamen, 1899
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1149
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206458
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Vorige scan Volgende scanScanned page
298 LXV. OP DEN OLIJFBERCt. -BETREFFENDE DEN VAL VAN JERUZALEM.
nog aan het vergrooten en verfraaien zijn
(zie Aant. 2), en nu wijzen zij hun Meester
op al deze dingen. Maar waar zijn Zijne
gedachten? vers 2 — Hij ziet veertig jaar
vooruit, zooals Hij dit twee dagen geleden
gedaan had (Les LXH), en ziet waar die
groote steenen dan zullen zijn.
Hij daalt af in de vallei van Kedron —
bestijgt den Olijfberg — daar zit Hij naar
Jeruzaleum te staren — den Tempel vl^k
voor zich in al zijne pracht — de zon
ten ondergang neigende achter de stad.
De discipelen worden ontroerd door Zijne
woorden — vier hunner — (zie Markus)
moeten er Hern nader over ondervragen.
1. De vraag der discipelen, vers 3.
Drie zaken wenschen zij te weten: (a)
Wanneer «deze dingen» (de onheilen,
die over Jeruzalem komen) zullen zijn? Hoe
zij zullen weten, wanneer dat (h) « komen »
en (c) dat « einde van de wereld », waar-
over Hij gesprol-en heeft (Matth. X : 23,
XHI : 40, 49, XVI : 27, 28) zullen zijn?
Dit is alles even geschikt om hen in ver-
legenheid te brengen; en geen wonder —
want wat hadden zij verwacht? Jezus'
zegepraal in ditzelfde Jeruzalem — en
nu is Hij verworpen, en de stad zal ver-
woest worden — wanneer zal Hij
regeeren ? Nu ? Of niet voor het « einde der
wereld ?»
2. Ht't antwoord van Christus. Het
strekt zich uit over deze twee hoofdstuk-
ken. Zegt Hij wat zij wenschen te weten ?
Hij spreekt over de treuiige lotgevallen
der Joden (XXIV : 15-21) — Zijne komst
(XXIV : 27, 33. 37, XXV : 13, 10,31)-
het «einde» met het Laatste Oordeel
(XXIV : 6, 13, 14, 45, XXV : 31—46) —
en vele «teekenen» (XXIV : 6, 7, 14,15,
30, 32). Maar geen tijd — God houdt dit
in Zijne eigen hand (XXIV : 35; verg.
Hand. 1:7) — alles wat zij doen
kunnen is altijd te waken, altijd gereed
te zijn (XXIV : 42, 44, XXV : 13).
Maar gaan wij eenige dezer profetieën
na, en zien wij hoe wonderbaar zij ver-
vuld zijn. Heden zullen wij over de
Verwoesting van Jeruzalem
spreken.
I. De treurige lotgevallen der
Joden.
(a) Groote verdrukking, vers 21, verg.
Luk. XXI : 23 — «groote nood en toorn
over het volk » — zoo groot, dat niets er
bij haalt (verg. Joël 11: 2). Dezelfde dingen
waren door God door middel van Mozes
gesproken, Deut. XXVIII : 47—57. Zooals
Mozes het gezegd en Christus het gezegd
had, zoo gebeurde het ook. De eene wreede
en inhalige P.omeinsche stadhouder na den
anderen gedurende vele jai en — alle soorten
van verdrukking — eii.delijk de Joden tot
het uiterste gebracht — in oproer tegen
de Romeinen — door de Romeinen bele-
gerd. Jeruzalem dan ten prooi aan het
vreeselijkst lijden. Toen de stad aangevallen
werd, waren er menigten van vieemde-
lingen voor het Paaschfeest; daarna nog
zes maanden vóór het einde. De hongers-
nood wordt erger en erger — de men-
schen vechten om een weinig voedsel.
Voortdurende beroeringen in de stad zelve
— verschillende partijen haten en dooden
elkander. Het Romeinsche leger beklimt
den eenen muur na den anderen, ver-
brandt den eenen toren voor, den anderen
na, komt steeds naderbij. Goddelooze men-
schen sporen het volk aan om voort te
vechten, want de Messias zou hun zeker
te hulp komen — nadat zij hun waren
Messias gekruisigd hadden (Zie Aan-
hayigsel XI. blz. 304).
(b) Moord en gevankelijke wegvoering,
Luk. XXI : 24. En nogmaals de woorden
van Mozes, Deut. XXVIII : 64-68. Zoo
ging het ook. Velen zelfs gaven zich in
wanhoop aan de Romeinen over — werden