Boekgegevens
Titel: Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Deel: II: Nieuwe Testament
Auteur: Stock, Eugene
Uitgave: Rotterdam: D.A. Daamen, 1899
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1149
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206458
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Vorige scan Volgende scanScanned page
296
LXIV. IN DEN TEMPEL. —
DE LAATSTE VERWERPING. 296
Worden wij tot Christus «getrok-
ken »? Gevoelen wij de magnetische
kracht Zijner liefde? Wij hooren gaarne
van de vruchten, welke de zendelingen op
hun arbeid zien, van den heiden, die tot
den Heiland «getrokken» wordt: maar
verwerpen tvij Hem misschien inmiddels?
Wij achten de Joden schuldig, die Jezus
verwierpen, omdat zij het kruis niet konden
verstaan. Wij begrijpen er de beteekenis
van — wat moet onze schuld dan zijn,
indien wij Hem verwerpen I
Aan teekeningen.
1. De Schriftuitleggers zijn het niet eens
over den juisten dag, waarop de voorvallen
van dit gedeelte plaats hadden. Sommigen
meenen, dat zij op den dag van den Intocht,
op Zondag, voorvielen, anderen nemen aan,
dat het op Woensdag was. Maar de meesten
gelooven toch, dat zij op Dinsdag geschied-
den, na den herhaalden strijd van Jezus
met de oversten.
Dit hoofdstuk schijnt te beschrijven, hoe
het volk, dat Hem tot nu toe welgezind
was, niettegenstaande den tegenstand der
oversten, geërgerd wordt door Zijne open-
lijke aankondiging van Zijn naderenden
dood, en van Hem afvalt.
2. Jezus was nu waarschijnlijk in den
Voorhof der Vrouwen (zie plan op blz.
213), waarin de «schatkist» was — de
dertien groote kisten met trotupetvormige
opening, waarin het volk zijne giften moest
werpen. Hier zag en prees Hij de weduwe,
die «twee kleine penningen wierp » (Mark.
XII : 41 —4 i), en hier werd Hem waar-
schijnlijk het verzoek van de Grieken over-
gebracht, die, daar zij niet verder dan den
buitensten Voorhof der Heidenen mochten
komen. Hem niet konden genaken. De
muur, welke den V«»orhof der Heidenen
van het overige gedeelte van rten Tempel
afscheidde, heette «de Muur des Afscheid-
sels», waarop Paulus zinspeeltin Ef, II: 14 —
«Want Hij is on^e vrede, die deze beiden
(d. i. Jodeti en Heidenen) één gemaakt
heeft, en den middelmuur des afscheidsels
gebroken heeft». Dit feit versterkt de
beteekenis van de woorden van Christus
bij het ontvangen van de boodschap; drie
dagen later zou Zijn dood een einde aan
alle afscheiding maken: Hij gaf zich over
aan den dood. «opdat Hij die beiden met
God in één lichaam zou verzoenen door
het kruis» (Ef H : 16i.
Waarom wendden de Grieken zich in
het bijzonder tot Philippus ? Misschien waren
zij uit de Heidensche steden, welke om
het Galileesche Meer (zie Aanhangsel IV,
bk. 89) waren opgekomen, en hadden zij
hem daar gekend; hetgeen eene reden zou
zijn voor het hier vermelden van Bethsaida
als zijne stad (vers 21). Men moet ook op-
merken, dat Philippus een Grieksche naam
was, hetgeen zou doen veronderstellen, dat
deze Apostel van vreernde afkomst was.
3. Met was de derde maal, dat er ge-
durende de werkzaamheid onzes Heeren
eene stem uit den Hemel geschiedde. Bij
Zijn doop werd zij (waarschijnlijk) alleen
door Hem zelf en den Dooper gehoord.
Bij de Verheerlijking door Petrus, Jakobus
en Johannes Nu hoort het geheele volk
haar. Het is niet onwaarschijnlijk, dat zelfs
zij. die dachten, dat een « engel gesproken
had», de woorden konden onderscheiden;
verg. Hand. IX : 7. XXH : 9.
Üe «ontroerifig» der ziel. welke de
stem uit den Hemel kwam bedaren, was
zonder twijfel een voorsmaak van den
doodsangst in Gethsémané. Bengel zegt:
« De afschrik voor den dood en de begeerte
naar gehoorzaamheid streden tegen elkan-
der in de ziel van der, Hfer. » Van daar
de uitroep: « Wat zal Ik zeggen? » «Verlos
Mij uit deze ure» — hier is de «afschrik
voor den dood»; « Vader, verheerlijk Uwen
naam » — hier is de « begeerte naar ge-
hoorzaamheid »
4. « Van de aarde verhoogd.» Twee-
maal te v«»reu ha l Jezus deze uitdrukking
gebruikt. Joh. IH : 14, VIII: 28. Hetwas
zonder twijfel eene spreek wij/.e, die toen
in zwang was, en in het bijzonder op de
kruisiging werd toegepast, evenals het
woord -hangen», dat op zichzelf nog
niet de beteekenis van doo l heeft, bij ons
de naam voor eene bijzondere wijze van
terechtstellen is geworden. Zie het vol-
gende vers: «Dit zeide Hij, beteekenende
hoedanigen dood Hij sterven zou. »
5. Vergelijk betreffende vers 39. 40
Les XXXIV, Aant. 2. Vers 41 — «Dit
zeide Jesaja, toen hij Zijne heerlijkheid
zag en van Hem sprak » — is een treffend