Boekgegevens
Titel: Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Deel: II: Nieuwe Testament
Auteur: Stock, Eugene
Uitgave: Rotterdam: D.A. Daamen, 1899
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1149
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206458
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Vorige scan Volgende scanScanned page
294
LXIV. IN DEN TEMPEL. —
DE LAATSTE VERWERPING. 294
lands — gemakkelijk in opschudding te
brengen. (Voorbeeld. — Ah een hoop krul-
len,welke dadelijk in brand vliegen, zoodra
er een vonk in valt). F> wordt over vele
dingen gesproken; maar er is ééne hoofd-
gedachte — de Profeet uit Nazareth —
die werkelijk den gestorven man opgewekt
had, ongeveer twee mijlen van Jeruzalem
— die onbevreesd de hoofdstad in op-
tocht was binnengekomen — dien zoovele
Galileërs voor den Messias houden, maar
dien de oversten wenschen te dooden.
(6) Hier zijn eenige Heidensche vreem-
delingen, die (evenals de Moorsche kamer-
ling, Hand. VHI : 27) den waren God
hebben leeren kennen, en op het feest
zijn « komen aanbidden », vers 20. Wat is
er niet veel in Jeruzalem, dat hen verbaast
en ergert! — (Voorbeeld.— Vooroudere
klassen — Luther te Rome) — een vee-
markt op de eenige plaats van den Tem
pel, welke zij mogen betreden, de weelde
van de Priesters, de aanmatiging der
Farizeën, de Romeinsche troepen, die
verplicht zijn orde te houden zelfs in de
« heilige stad ». Maar zij hooren ook van
den Nazarener — die de handelaars durfde
uitdrijven — die spreekt «zooals nooit
iemand gesproken had » — die geen op-
roerige, dweepzieke Jood is, maar waardig,
liefderijk en wijs: — is deze niet juist de
persoon, die hen zal voorlichten en onder-
wijzen, die de twijfelingen in hun gemoed
zal ophelderen, en hen wijs en goed zal
maken? Zie de vraag, vers 21 — «Wij
wilden Jezus wel zien ».
(c) Kom nu in den Tempel. Eene be-
wonderende menigte om Jezus heen —
den geheelen dag hebben zij naar Zijne
wonderbare woorden geluisterd, naar Zijne
wijze antwoorden op menige moeilijke
vraag; zij hebben gezien hoe Hij eiken
aanval heeft afgeweerd, en de huichelarij
Zijner vijanden openbaar gemaakt en ver-
oordeeld — met hoeveel belangstelling
hebben zij dit alles gadegeslagen! — hoe
opgewonden zijn ze nu 1 — hoe bereid
om Hem als den langverwachten Koning
te begroeten — welk een vreugdevol
Paaschfeest, indien de Messias eindelijk
gekomen is! En nu een geluid uit den
hemel, vers 29 — «Is het een donder-
slag, of de stem eens engels?» Kunnen
wij ons niet voorstellen, hoe de menigte
brandt van ongeduld en nieuwsgierigheid?
De geheele stad denkt en spreekt over
Hem — sommige Grieken zoeken Hem —
de Joden zijn gereed Hem te kronen —
welk eene schijnbare « ure » van zegepraal t
II. Maar het bleek eene «ure» van
verwerping en van lijden te zijn.
Wat was dat onverwachte geluid, dat op
een donderslag geleek? vers 28. Welke
was deze Stem? Een «teeken» voor het
volk? Is het Gods eigen roepstem tot hen
om Zijn Zoon aan te nemen? Ja, gedeel-
telijk (vers 30); anders had God niet hoor-
baar behoeven te spreken. Maar waartoe
dan deze boodschap? Zie vers 27 — Jezus
« ontroerd » — de Vader spreekt om Hem
te troosten. Waarom « ontroerd » ? Voor-
ziet Hij al het vreeselijke lijden, dat nu
zoo nabij is? Maar dit had Hij reeds te
voren gedaan en op welke wijze had Hij
het toen beschouwd ? (Zie Les L, LX). Ach,
maar bedenk toch, dat Hij het hart eens
menschen heeft, en nu de schande en
het lijden begint te gevoelen van schuldig
geacht te worden — de last onzer schuld,
die op Hem gelegd is (Jes. LIII: 5), drukt
Hem neer.
Hoe kwam het echter, dat Hij verwor-
pen werd?
(a) Verwierpen de Grieken Hem? Wij
hooren niet of zij tot Hem konden nade-
ren ; maar indien zij Zijn antwoord hoorden
of het hun gezegd werd (vers 23—26),
hoe beleedigd zouden zij zich dan gevoelen ?