Boekgegevens
Titel: Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Deel: II: Nieuwe Testament
Auteur: Stock, Eugene
Uitgave: Rotterdam: D.A. Daamen, 1899
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1149
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206458
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Vorige scan Volgende scanScanned page
292
LXIII. IN DEN TEMPEL. — GELIJKENISSEN.
kon ontgaan; maar het beeld is eenigszins
gewijzigd, doordat hier de arbeiders de
schuld hebben, in plaats van den wijngaard,
waardoor de toepassing nog meer recht-
streeks op de aangestelde oversten en
leeraars neerkomt, en de wijngaard eene
afzonderlijke zaak uitdrukt. Maar wat
dan ? De Heer geeft zelf het antwoord
in vers 43: — «Het Koninkrijk Gods»;
zie hierover Les XXIII, .^ant. 7. Het
andere « volk » is niet de Heidenen, maar
diegenen, hetzij Joden of Heidenen, welke
het Christendom zouden aannemen.
2. De tuin (of liever, steenen muur,
welke zeer algemeen is in Palestina) diende
tot bescherming van den wijngaard; de
toren (in Jes. I : 8, XXIV : 2U eene hut
genoemd) ter bewaking; de wijnpersbak
tot het treden der druiven. Het uitgeperste
sap liep door een rooster in een koelen
vergaarbak daaronder, welke in den grond
of de rots was uitgehouwen. Markus ver-
meldt dezen bak; Mattheus de reeds ge-
noemde plaats, waar de wijn werd uitge-
perst. Het is onnoodig in deze bijzonder-
heden eene zinnebeeldige beteekenis te
zoeken; zij stellen in het algemeen de
vooizienende zorg van den eigenaar voor.
3. V Deze is de erfgenaam; komt, laat
ons hem dooden». Kan het aangenomen
worden, dat de Joodsche oversten Jezus
ter dood brachten, wetende wie Hij was?
Hierop kan geantwoord worden: (1) dat
het hun duidelijk gezegd was, en zij het |
hadden kunnen weten; (2) dat, naar alle |
waarschijnlijkheid, de waarheid zich meer |
dan eens aan hen opdrong, maar dat zij j
aan het denkbeeld weerstand boden, — !
en hiervoor kunnen deze woorden met I
zekerheid ten bewijze dienen; (3) dat het
eindbesluit, om Hem te dooden, onmid-
dellijk genomen werd nadat Hij Zijne
Goddelijke macht het treffendst had ten
toon gespreid; zie Joh. XI: 46—53; welke
verzen ook de woorden «Zijne erfefiis
aan ons behouden » verklaren, want (488te
vers) hunne drijfveer was de vrees, dat
zij, ten gevolge \an de een of andere bot-
sing, door Jezus veroorzaakt, hunne eigen
macht zouden verliezen.
4. « IHj zal den kwaden eenen kwaden
dood aandoen». Het schijnt duidelijk, dat
de oversten, en niet het volk, dit antwoord
gaven. Het «Dat zij verre» van Lukas
werd misschien door sommigen uit het
volk gezegd (zje vers 9, 16).
5. Christus* toespeling op zichzelf als
den « Steen » (vers 42, 44) is in de Schets
weggelaten om verwarring te voorkomen.
De verandering van beeld was noodzakelijk
om de zegepraal van den Zoon aan te
wijzen, niettegenstaande Zijn dood door
de hand der «arbeiders». De aanhaling is uit
den Messiaanschen Psalm (CXV11I\ welken
het volk zoo goed kende — dezelfde Psalm,
waaruit de Hosanna's genomen waren.
Het onderscheid tusschen het «vallen
op den Steen » en het verpletterd worden
door den « vallenden Steen» schijnt dit
te zijn: — De Joden narnen aanstoot aan
Christus, «ergerden zich aan Hem» in
Zijne vernedering; maar hiervoor was een
herstel mogelijk (door de bekeering), even-
als een man, die op een steen valt en.
zich bezeert, herstellen kan! Maar de
vallende Steen is Christus, in het gericht
komende, allen, die nog onbekeerd zijn,
verpletterende. Verg. Dan. H : 34, 45.
6. De gelijkenis van het Koninklijke
bruiloftsmaal moet met zorg van die van
het groote Avondmaal in Luk. XIV (Les LH)
! onderscheiden worden, welke, uitgesproken
voordat de vijandigheid van de Joodsche
oversten zoo openlijk en zoo hevig ge-
! worden was, een zachteren geest ademde
! dan deze laatste.
; De vermelding van de krijgsheiren des
! Konings, welke de doodslagers vernielen
I en de stad verbranden, verbindt deze
I gelijkenis met dié van de Arbeiders in
I den Wijngaard. De eene heeft betrok-
king op de geschiedenis van het Oude, de
andere op die van het Nieuwe Testament.
In de eene treedt de Zoon op als de laatste
van eene lange rij dienstknechten of ge-
zanten; in de andere als de Prins in zijne
heerlijkheid. In de eene eischt God iets
van de men«chen; in de andere öterfniij
! den menschen iels aan. In de eene ligt
de schuil in het niet-v» rvullen van Zijne
1 eischen; in de andere in het niet-aanne-
; men Zijner noodigicig. In de eene zien wij
de Wet; in de andere het Evangelie.
Het is duidelijk, dat dit een ander feest
is dan de bruiloftsmaaltijd van de «tien
Maagden» en van (Jpenb. .\IX : 9. Het is
; niet de eindtoestand van gelukzaligheid
' der verlosteri, maar de algeheele vrijstel-
, ling door het Evangelie: zie Les XXIII,
Aant. 7. De tegenwoordigheid van den
onwaardigen gast —en hier is één het type
van velen, zie vers 10 («beiden, kwaden eu