Boekgegevens
Titel: Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Deel: II: Nieuwe Testament
Auteur: Stock, Eugene
Uitgave: Rotterdam: D.A. Daamen, 1899
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1149
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206458
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Vorige scan Volgende scanScanned page
290
LXIII. IN DEN TEMPEL. —
GELIJKENISSEN.
gedaan» meer dan gij — want gij, die
voorgeeft zoo goed te zijn (« Ik ga, Heer! »,
zie Matth.'XV : 8, XXHI : 3) hebt hem
verworpen, en zelfs nadat gij gezien hadt,
hoeveel goed hij deed. » Dus, juist wat zij
vreezen, dat het volk ter ooren zal komen
(hunne meening omtrent Johannes), wordt
nu openlijk door Jezus verkondigd. Stel
u hunne ontsteltenis voor!
Maar Jezus laat hen nog niet gaan —
«Hoort eene andere gelijkenis». Hij heeft
hun aangetoond, in het eigen hart en leven,
hoe ieder voor zichzelf gehandeld heeft;
nu zal Hij. hun doen zien welke zware
schuld zij als oversten, als vertegenwoor-
digers van het volk voor God en de men-
schen, hebben.
n. De arbeiders in den wijn-
gaard.
{Lees de gelijkenis, zie Aant. 1, 3).
Hier is eene geschiedenis van de Joden;
toch gelijkt zij niet op andere geschiede-
nissen — Jezus vermeldt zoowel het ver-
leden als de toekomst,
1. Hunne voorrec/iïen. Toen de geheele
wereld afgedwaald was, verkoos God hen,
één gezin, ééne natie, om afgescheiden
van de anderen te zijn — om die te
onderwijzen en op te leiden — om hun
Zijn Woord te geven — opdat zij een
voorbeeld zouden zijn voor de wereld
{Zie Les II, IH, XLI). Zie wat Hij voor
hen gedaan had (Deut. IV: 32—38; Neh.
IX : 7—25; Rom. III : 1, 2, IX : 4, 5).
Een goed land, goede wetten, leeraars en
oversten, overwinning en bescherming,
enz., enz. Evenals den arbeiders, had Hij
hun alles gegeven (vers 33 — een tuin,
wijnpersbak, toren).
2. Hunne hoosheid. Wat kon God ver-
wachten ? Natuurlijk « vruchten » — dank-
baarheid, gehoorzaamheid, trouwe dienst-
vervulling. Kreeg Hij deze vruchten? Toen
Hij den eenen dienstknecht na den anderen
zond, den eenen profeet na den anderen,
hoe werden dezen toen behandeld? Zie 2
Kron. XXXVI : 15, 16; Neh. IX : 26;
Matth. XXIH : 31, 37; Hand. VH : 52;
Hebr. XI : 36-38. Wat kon Hij nog meer
doen? (Luk. XX : 13; Jes. V : 4). Nog
ééne poging zou Hij doen — Zijn Zoon
zoude gaan. En wat was de uitkomst?
Jezus verhaalt hun door de gelijkenis, wat
Hij weet, dat gebeuren zal — samenzwe-
ring («komt,laat ons hem dooden»), moord,
roof (« zijne erfenis aan ons behouden
zie Joh. XI : 48).
3. Hunne straf. Maar Hij zal hen doen
zeggen, wat dat zijn zal, vers 40, 41 —
ia) Zij zullen « een kwaden dood » onder-
gaan; (b) De voorrechten en zegeningen
van Gods Koninkrijk zuilen aan een ander
uitverkoren volk gegeven worden. Bemerk-
ten zij niet, hoe zij hun eigen oordeel
uitspraken? zie vers 45 — zij zagen, dat
Hij hen bedoelde, maar misschien veroor-
deelden zij de arbeiders zooveel te strenger
(zie Aant. 4), om te doen gelooven, dat
het hun in het geheel niet aanging! Maar
zij zullen niet ontkomen; zie Zijne eigen
onmiskenbare woorden, vers 43.
Zij kunnen het niet langer verdragen —
durven Jezus niet op de plaats zelf grijpen,
uit vrees voor het volk (vers 46) — en
gaan ontstemd weg (Markus). Waaraan
gelooft gij, dat de discipelen en zij, die
Jezus aanhingen, dachten? Misschien « De
wijngaard aan anderen — dat moeten wij
zijn — wij zullen de voornaamsten zijn
in het nieuwe Koninkrijk». Maar zij
moeten er niet zoo gerust op zijn —
Jezus geeft nu eene gelijkenis om hen te
waarschuwen.
III. Het koninklijke bruilofts-
maal.
Eerste gedeelte, vers 2—10. Iets meer
over de toekomst, op eene andere wijze
verhaald. Nog eens «de Zoon» — niet