Boekgegevens
Titel: Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Deel: II: Nieuwe Testament
Auteur: Stock, Eugene
Uitgave: Rotterdam: D.A. Daamen, 1899
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1149
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206458
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Vorige scan Volgende scanScanned page
LXUI. IN DEN TEMPEL. — GELIJKENISSEN,
289
man zonder bruiloftskleed. Maar indien de onderwijzer tijd te kort komt,
behoeft hij niet volledig te behandelen hetgeen, uit een theologisch oogpunt,
door het «bruiloftskleed» wordt bedoeld. Het zal voldoende zijn, deze ééne
vraag te stellen: — «Zijt gij geschikt om in Gods tegenwoordigheid te zijn?
Niemand kan uit zichzelf geschikt zijn. Zij alleen zijn geschikt, die hun eenig
vertrouwen geheel in Jezus stellen, en Hem gelijk zijn gemaakt door den
Heiligen Geest.» Met jongere leerlingen zal het echter beter zijn alles weg
te laten, behalve het beeld van Christus en Zijne bestrijders en de tweede
gelijkenis — «De arbeiders in den wijngaard». In dit geval moet de toepassing
geheel anders zijn, ongeveer aldus: — «Denk aan al de goedheid van God
jegens u — behoort gij Hem ook niet iets te geven? — indien gij dit niet
doet, wat kan Hij dan naar recht met u doen?»
Schets van de Les.
Te Jeruzalem is iedereen vervuld met
het onverwachte optreden van Jezus. In
den Tempel heeft Hij de koopers en ver-
koopers uitgedreven, en de priesters en
oversten beginnen te denken: — « Welk
recht heeft deze Galileër om te verhinderen
wat wij, de rechtmatige bewaarders van den
Tempel, toelieten?» Zij, die tegenwoordig
waren, klaagden er over, maar heden
(Dinsdag) zullen er afgevaardigden (pries-
ters, Schriftgeleerden, oudsten — Markus)
tot Hem gaan, om Hem te vragen, wie
Hem de macht gegeven heeft tot deze
dingen.
In de nu rustige tempelzalen vinden zij
Jezus, leerende, terwijl Hij op en neer
wandelt (vers 23; verg. Mark.); scharen
dringen zich om Hem heen en c hangen
aan Zijne lippen » {letterl. vert. van Luk.
XIX : 48). Zie hoe het volk plaats maakt
voor het deftige gezelschap — alsof het
vreest voor zijne trotsche oversten! .Mis-
schien ; maar wie zijn eigenlijk de vreesach-
tigen (vers 26)? Hoor de strenge ondervra-
ging — zij dringen aan op een antwoord —
«Wie gaf u deze macht? lytj'niet ». Maar,
zooals wij vroeger reeds zagen (Les LVII),
antwoordt Jezus met eene andere vraag;
vers 25. Waarom? Wat heeft dit er mede
te maken? — Alles: had Johannes de
Dooper niet aan een ander van hunne ge-
zantschappen gezegd, wie Hij (Jezus) was?
Zie Joh. I : 19, 26, 34 {Les XIII); en,
indien Johannes de Dooper de gezant van
God was, moest dan zijne getuigenis niet
waarachtig zijn? En indien dit zoo was,
had dan Gods Zoon geene macht over
Gods huis?
Zie, de priesters en Schriftgeleerden zwij-
gen stil uit verwarring en vrees — waar-
om? (vers 25, 26). Maar, indien zij niet
omtrent Johannes konden beslissen, hoe
konden zij dan beweren Jezus te oordeelen?
Met het volste recht weigert Hij nu hun
een antwoord te geven.
En nu is het Zijne beurt — Hij zal hen
bestraffen en veroordeelen — of liever
hen zichzelven doen veroordeelen (Verg.
Nathan en David, 2 Sam. XII). Drie ge-
lijkenissen : —
L De twee zonen.
«Wat dunkt u?» — zij worden nu
ondervraagd. {Lees de gelijkenis). Zij kun-
nen niet anders dan het juiste antwoord
geven — het is zoo gemakkelijk — maar
hoe keert Jezus het nu tegen hen! «De
slechte en geringe menschen, die gij ver-
acht, — hoe slecht zij ook waren, zij
luisterden naar Johannes, en bekeerden
zich» — dus O hebben zij den wil des Vaders
19