Boekgegevens
Titel: Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Deel: II: Nieuwe Testament
Auteur: Stock, Eugene
Uitgave: Rotterdam: D.A. Daamen, 1899
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1149
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206458
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Vorige scan Volgende scanScanned page
10
IL DE PROFETIEËN VAN DEN TOEKOMSTIGEN VERLOSSER.
Aanteekeningen.
1. Een groot aantal voorspellingen, enz.,
worden in deze Les niet aangehaald. Zij
kunnen aldus gerangschikt worden: —
(а) Die, waarin het niet duidelijk is of
zij werkelijk betrekking hebben op den
Messias, zooals Gen. XLIX : 10; Job
XIX : 25.
(б) Die, welke slechts in de tweede
plaats betrekking hebben op den Messias,
zooals Num. XXIV : 17, welke eerst op
David doelt. !
(c) Die, welke, hoe belangrijk ook, niet |
tot de groepen, in deze les vervat, be- i
hooren: Ps. XL :8—10, CXVIII:22; Jes. 1
XI : 1—10, XXVIII : 16, XLII : 1-4, !
LXI:1, LXIIIrl—ti; Zach. III: 8, VI: 12;
Mal. III : 1—3; en vele andere.
(d) Die, welke betrekking hebben op |
bijzondere gebeurtenissen in het leven van '
Chri<;tus; zooals Ps. XVI: 10, LXVIII:19,
LXIX : 10, 22; Jes. VII : 14. L:6; Jer.
XXXI: 15; Hos. XI: 1; Zach. XI: 13, enz. '
(e) Gebeurtenissen, welke een vooraf-
schaduwing zijn; zooals het Paaschlam,
het nianna, de koperen slang, enz.
(ƒ) Personen, die als typen beschouwd
kunnen worden; zooals Jozua, Jona, enz. |
2. De beteekenis van de beloften, aan
Abraham gedaan, is onlangs zeer goed in
het licht gesteld door prof. Stanley Leathes,
in zijne lezingen over «Het getu^enis des
Ouden Testaments van Christus». Hij zegt:
«Abraham had God leeren kennen. Door
de kennis van God is hij ook tot de weten-
schap gekomen, dat hij, zooals hij eens
bekent, slechts «stof en asch» is Maar
hij leert ook, dat in zijn zaad een bron
van zegen voor de geheele wereld zijn
zal. Het was onmogelijk voor hem niet
te weten, dat, wat hij was. zijn zaad na
hem ook zou zijn, nl. stof en asch zooals
hij. Hij moet grooter zijn, dan al zijn
zaad, omdat hij de vader is. Toch zou er
in dat zaad Eén zijn, bestemd om dezen
zegen te bevatten en zelf te zijn. Daar hij
wist, dat hij zelf geen bron van zegen
was, maar zich boog om den zegen van
Melchizedek te ontvangen; daar hij wist,
dat hij zijnen kinderen niet kon nalaten,
wat hij zelf de macht niet had te geven,
en dat zij niet gezamenlijk konden be-
zitten, wat zij elk voor zich zelf niet hadden,
werd hij daardoor gebracht tot de ver-
wachting van Eén. in wien de zegeningen
van denEeuwiggezegenden, met de mensch-
heid van het beloofde zaad in Zijn eigen
persoon vereenigd zouden zijn. Zoo ge-
schiedde het, dat hij zich verheugde om
den dag van Christus te zien, dat hij hem
«zag en verheugd was».
3. Men zegt gewoonlijk, dat het Oude
Testament vol is van Christus; en toch,
wanneer velen dit bewijzen willen, noemen
zij verscheidene alleenstaande teksten op,
die geen honderste deel uitmaken van
het geheel, of nemen anders hun toe-
vlucht tot denkbeeldige gelijkenissen in
kleine bijzonderheden, welke noch door
de Schrift, noch door het gezond verstand
geslaafd worden. Maar wanneer wij de
profetieën in het licht der geschiedenis van
< die tijden bestudeeren, en de beteekenis
' bepalen, die zij klaarblijkelijk hadden, toen
zij werden uitgesproken, zien wij hoe elke
gebeurtenis, elk onheil, elke overwinning
! het middel werd, om den geest des volks
te richten op iets veel grooters, dat nog
I komen moest. Aldus wordt 1 Sam. 11:35
; gewoonlijk niet gerekend op den Messias
betrekking te hebben; er waren vele «ge-
1 trouwe priesters», die Eli's zonen opvolgden,
maar juist de zonden van Hofni en Pinehas
zouden het volk doen verlangen naar
; iemand anders, en zij zouden er toe ge-
bracht worden om te hopen op Hem, die
komen zou als een «getrouw priester».
; Zoo geeft de aanstelling van den goeden
Eljakim. in plaats van den verwaten Sebna,
als schatbewaarder onder Hizkia, den be-
zielden profeet een gelegenheid om van
Eljakim te zeggen, wat, in de hoogste
beteekenis, slechts op den Messias toege-
past kan worden, Jes. XXII : 15—23. En
hoeveel kracht verkrijgt Jes. XXXII : 1,
wanneer wij er aan denken, dat het onder
de re^eering van Ahaz gesproken werd.
Aldus beschouwd, is het Oude Testament
waarlijk vol van Christus; en elk groot
man, in zoover als hij den wil van God
deed, is een type van Christus, een onvol-
maakt beeld van wat Christus op volmaakte
wijze zou zijn.