Boekgegevens
Titel: Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Deel: II: Nieuwe Testament
Auteur: Stock, Eugene
Uitgave: Rotterdam: D.A. Daamen, 1899
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1149
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206458
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Vorige scan Volgende scanScanned page
LXII. DE PLECHTIGE INTOCHT LN JERUZALEM.
285
XXI : 3; \ Sam. VI : 7 — zulke dieren
waren heilig. Maar hoe en waar zou een
ezel gevonden kunnen worden ? Weet Jezus
niet het waar en het hoe? zie Mark. XI:
2—6. En hoe gezadeld? (vers 7). Waren
er nog meer teekenen van koninklijke eer?
(vers 8) — (verg. 2 Kon. IX : 13). (Zie
Aant. 3.)
En nu kunnen zij een deel van de stad
zien, de torens van Zian. Onmiddellijk wor-
den zij herinnerd aan David en zijne
grootheid. — « Nu zal zijn koninkrijk weder
hersteld worden» (Mark. XI : 10) —
«Hosanna den Zone Davids!» (Zie Aant. 5).
Dan wordt het uitzicht weder achter een ,
heuvel verborgen, totdat de top is bereikt,
en in één oogenblik ligt de geheele stad
vóór hen; welk een prachtig schouwspel! Al
die paleizen en muren, die zich aan de over-
zijde van de diepe vallei van Kedron ver-
heffen, met den glinsterenden Tempel in
het midden (verg. Ps. XLVIH : 3, 13,14;
Mark. XIH : 1). Luider dan ooit weer-
klinken nu de lofzangen (vers 37) en de
Farizeën kunnen het niet langer verdragen.
— «Indien Hij werkelijk een profeet is,
waarom laat llij hen dan dit van Hem
zeggen?» Zie hunne aanklacht en Zijn
antwoord, vers 39, 40 — hij, die nu niet
zingt, is harder dan steen.
Zij gaan den heuvel af—over de beek,
stijgen weder tot de poort der stad, tre-
den de straat binnen. Geen wonder, dat er
eene opsihudding is in Jeruzalem ~ niet
alleen de burgers, die Hem kennen, maar
al de vreem<lelingen uit verre oorden ver-
dringen zich en vragen — «Wie is deze?»
(Matth. XXI : 10). De Farizeën zijn wan-
hopig (Joh. XII : 19).
Waartoe diende dit alles? Hoe ver-
schillend was dit van de gewone levens-
wijze van Jezus! Vroeger alles zoo stil,
zonder opzien te baren, afkeerig van alle
eerbewijzingen (zie Matth. IX : 30, XII :
15-19, XVI : 20, XVII : 9) — vooral
om tot Koning uitgeroepen te worden (Joh.
VI : 15). Waartoe nu deze feestelijke
intocht?
(a) Om, door voor aller oogen eene
welbekende profetie te vervullen (Zach. IX :
9; zie Matth. en Joh.), den Joden één
laatste bewijs te geven wie Hij was. Be-
grepen zij dit? Zelfs de discipelen ver-
stonden het niet (Joh. XH : 16); indien
zij het verstaan hadden, zouden zij zich
de daaropvolgende woorden van Zacharias
(10<ie vers) herinnerd, en hieruit geleerd
hebben, dat Hij niet de oorlogvoerende
Koning was, dien zij verwachtten, maar
gekomen om «den Heidenen vrede to
spreken.»
(b) Opdat, nu Hij zich aldus in het
openbaar vertoonde en aan de te Jeruzalem
verzamelde menigte bekend werd, allen
Zijn veroordeeling en dood zouden opmer-
ken. Overal zouden de menschen er van
hooren, en het weten, wanneer de Apos-
telen het naderhand predikten. « Deze din-
gen » zouden niet«in een hoek geschieden »
(Hand. XXVI: 26; vergel. Luk. XXIV : 18).
Maar bij het gadeslaan van den grooten
optocht hebben wij ééne zaak onvermeld
gelaten, —
II. Ben weenenden Koning.
Op het oogenblik, dat de geheele stad in
het gezicht kwam, op het oogenblik, dat het
.gejuich en de lofzangen ter eere van den
Koning op het luidst waren, a weent» de
Koning! — h'ij weent bitter (ZieLesLlX,
Aant. 5). Waarom? Denkt Hij aan hetgeen
deze week met Hem geschieden zal —
aan Zijne verwerping, den spot, het lijden,
den dood, dien Hij moet verdragen? Hij
weet alles, maar toch is dat de reden
niet — want hoe heeft Hij dit alles be-
schouwd? (Les LX). Wat is het dan?
1. Het lijden van Jeruzalem. Hij ziel
geene vier dagen, maar veertig jaren