Boekgegevens
Titel: Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Deel: II: Nieuwe Testament
Auteur: Stock, Eugene
Uitgave: Rotterdam: D.A. Daamen, 1899
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1149
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206458
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Vorige scan Volgende scanScanned page
LXII. DE PLECHTIGE INTOCHT LN JERUZALEM. 283
mildheid verheft; het Grieksch peeft Hui- : zoiidt gij hem verachten — hij is even
delijk aan, dat hij «door bedrogzich-
zelven bevoordeeld had. In zijne belofte
van teruggave gaat hij boven hetgeen
(behalve in sommige buitengewone geval-
len) door de wet geëischt werd ; zie Exod.
XXH : 8, 9; Num. V : 6, 7.
Sommigen hebben gedacht, dat de woor-
den van Christus in vers 9 beteekenen, dat
Zachéus een heiden was. en slechts nu
een «zoon van Abraham» door het geloof.
Maar het ligt meer voor de hand de uit-
drukking als eene bestraffing vandeonte- gemakkelijk er in te klimmen
vreden Joden op te vatten: «Waarom
goed een zoon van Abraham als gij. —
een verlorene, wel is waar, maar Ik ben
juist gekomen om te zoeken en te behou-
den, hetgeen verloren was. » De naam is
ook Hebreeuwsch; zie Ezra 11 : 9; Neh.
VII : U.
5. De wilde vijgeboom is zeer algemeen in
de vallei van den Jordaan en de kustvlakten
van Palestina, maar niet in de hooglanden.
Zijn takken zijn laafr hij den grond en
spreiden zich ver uit; het is dus zeer
Les LXIL — De plechtige intocht in Jeruzalem.
«Zie, uw Koning komt!»
Te lezen — Luk. XIX : 29—44; {verg. Matth. XXI : I —!1; Mark. XI: 1—10
Joh. XII : 1, 9—19).
Te leeren — Zach. IX : 9; Hos. VI : 4. (Gez. 48 : 1, 2, 3).
Voor den Onderwijzer.
Hel onderwerp, dat wij voor ons hebben, verschaft ons eene gelegenheid,
welke wij in geen geval moeten laten voorbijgaan, om namelijk een tafereel
met zulke levendige kleuren te beschrijven, dat het bij sommige kinderen
eene blijvende belangstelling zal wekken. Om dit echter te doen, moet de
onderwijzer in staat zijn om den weg, die door den optocht gevolgd werd,en
de verschillende voorvallen, die daar i plaats hadden, zoo te schilderen, dat
men hem bijna voor een ooggetuige zou houden. In de Schets is eene poging
gedaan om het tooneel zoo levendig weer te geven als! mogelijk was in den
gedrongen stijl, die door eene beperkte ruimte werd vereischt. Indien de
onderwijzer ook met zorg Aant. 2 en het bijgaande plan met het verhaal in de
vier Evangeliën vergelijkt, dan laat zich verwachten, dat hij genoeg stof zal
hebben voor eene voldoende beschrijving. Het doel, dat hij zoo bereiken kan,
is waard, dat hij er zich eens voor inspanne, niet alleen omdat de Schrift in
belangrijkheid wint, maar ook omdat, naarmate de leerlingen zich eene leven-
digere voorstelling maken van het tafereel, de toepassing, die bijzonder treffend
is, ook beter den ingang zal vinden tot hun hart. In deze toepassing moet
men zooveel mogelijk in bijzonderheden treden. Alle kleine verkeerdheden
in gedachten, woorden of daden, waarvan de onderwijzer zeker weet, dat zij
in den loop der week zijn begaan.^ moeten met name genoemd worden.
Men drage er zorg voor, dat de Joodsche wijze van berekening der dagen en
weken goed door de leerlingen begrepen worde, nl. dat hun Sabbat onze