Boekgegevens
Titel: Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Deel: II: Nieuwe Testament
Auteur: Stock, Eugene
Uitgave: Rotterdam: D.A. Daamen, 1899
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1149
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206458
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Vorige scan Volgende scanScanned page
282
LXI. TE JERICHO.
DE BLINDE EN DE TOLLENAAR. 282
II Hoe de verachten en on waar-
digen ten opzichte van Jezus
moeten handelen.
1. Geene geleyenheid laten voorbij-
gaan om tot Hem te naderen. Baitiméus
riep luid; Zachéus schaamde zich niet in
een boom te klimmen. Gaat Jezus ook u
niet voorbij? (Pas dit toe op genade-
middelen en andere « gelegenheden »).
Dien dag geschiedde er zaligheid aan het
huis van Zachéus, vers 9; «nu is het de
dag der zaligheid » voor u, 2 Cor. VI: 2.
2. Werp weg al wat u van Hem terug-
houdt. Bartiméus «wierp zijn mantel af».
Zachéus wierp zijne afpersingen van zich.
Wat hebt gij weg te werpen? Rom. XIII:
12; Hebr. XH : 1.
3. Kom tot Hem, wanneer Hij roept.
Draalden Bartiméus of Zachéus? En Hij
roept nu, Openb. Hl : 20.
Dan zal u geschieden wat Zachéus be-
geerde. wat Bartiméus verkreeg, gij zult
Jezus zien. « Uwe oogen zullen den Koning
zien in Zijne schoonheid», Jes. XXXIII: 17.
Aanteekeningen.
1. In de tlagen onzps Heeren was Jericho
eene belangrijke stad. Herodes de Groote
had haar zeer verfraaid en zij was een
groot middelpunt van handel.
De gebeurteni>sen in het O. Testament,
welke betrekking hebben op Jericho, zullen
gevonden worden in Joz. H — V; Richt.
IH : 13; 2 Sam. X : 5; 1 Kon. XVI :
34; 2 Kon. 11. XXV : 5.
2. Het verhaal van den Blinden Barti-
méus levert een van de onopgeloste moei-
lijkheden in defï Bijbel op. Mattheus spreekt
van de genezing van/lüee blinden. Markus
van een, toen Chrishis Jericho uitging.
Lukas vermeldt de genezing van eenen,
toen Christus Jericho inkwam. Het ver-
schil in aantal, twee of één. kan gemak-
kelijk verklaard worden. Er moeten er
ongetwijfeld twee geweest zijn, en het
verhaal van Bartiméus alleen was mis-
schien. om allerlei mogelijke redenen,
ter kennis gekomen van Markus en Lukas.
Vergelijk het geval van de bezetenen in
Gadara; zie Les XXXVH. Aant. 2.
De verschillende plaj*tsbepaling is moei-
lijker te verklaren, en allerlei oplossingen
zijn beproefi geworden. Wij moeten op
de nauwkeurigheid van hel verhaal In
Mattheus en Markus vertrouwen, en aan-
nemen, dat het wonder plaats greep bij
het vertrek uit Jericho; en Lukas' om-
keering van de juiste orde der gebeurte-
nissen is niets anders dnn wat wij ook
op andere plaatsen in zijn Evangelie zien.
Ook als wij zijne uitdrukking «als Hij
nabij Jericho kwam» streng opvatten, is
de eenige redelijke oplossing, dat Bartiméus
geroepen heeft toen Jezus Jericho inkwam
en toen Hij de stad weder verliet, maar eerst
bij deze laatste gelegenheid genezen werd,
nadat ondertusschen nog een blinde zich bij
hem gevoegd had; hierbij merkt Lange nog
op, dat Christus zeer goed dezelfde poort
in en uit kan gegaan zijn, waartegen uit
aardrijkskundig oogpunt geen bezwaar
schijnt te zijn. Het «gaan door» kan
alleen het gaan door de straten aanduiden
naar het huis van Zachéus.
Deze kleine moeilijkheden zijn echter
in werkelijkheid van niet het minste
belang en misschien opzettelijk in de
Schrift gelaten, om ons geloof te be-
proeven. Zij bewijzen in alle geval, dat
de schrijvers onafhankelijk van elkander
waren
3. De «schare», welke Bartiméus het zwij-
gen trachtte op te leggen, en murmureerde
bij de gimst, die aan Zachéus bewezen
werd. bestond niet uit personen, die Jezus
vijandig waren. De meesten waren in meer-
dere of mindere mate Zijne aanhangers,
en waarschijnlijk maakten zij de « menigte
der discipelen» uit, die Jezus vergezelde,
toen Hij Jeruzalem binnenging op een
ezel. Wat hunne redenen waren, zal men
kunnen vinden in de Schets.
4. Zachéus was een « overste der tolle-
naren.» Een hooger beambte was natuurlijk
te Jerii!ho gevestigd. De inkomsten van de
palmboomen en den balsem, welke het
district opleverde, bedroegen alleen reeds
genoeg, om als eene bijzondere gift door
Antonius aan Cleopatra gelaten te worden.
Zie, over de tollenaren in het algemeen,
Les XXVI, Aant. 1. Er is geen grond voor
de meening, dat Zachéus zich op zijne