Boekgegevens
Titel: Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Deel: II: Nieuwe Testament
Auteur: Stock, Eugene
Uitgave: Rotterdam: D.A. Daamen, 1899
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1149
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206458
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Vorige scan Volgende scanScanned page
280
LXI. TE JERICHO.
DE BLINDE EN DE TOLLENAAR. 280
op slaan? En wat zouden de omstanders
doen? Zou het wreed zijn aan deze stoornis
een eind te doen komen? In het geheel niet,
want hoe zou de Koning zich met iedereen
kunnen bemoeien? En op wie zal hij, bij
het voortgaan, acht geven? Op de voor-
name lieden van de plaats (b. v. den
burgemeester, enz.), of op een man, die
in een boom of op een lantaarnpaal geklom-
men is? Wat zouden wij denken, indien
hij ophield met naar den bedelaar te luis-
teren, en tot den man in den boom te
spreken? Zouden wij het natuurlijk vinden?
Zie nu het verschil tusschen een aardsch
koning en den Heer Jezus. Hij gaat door
Jericho, omringd door scharen, niet van
vijanden, maar grootendeels van be-
wonderende Galileêrs, die naar het Paasch-
feest opgaan en hopen te zien, dat hun
eigen groote profeet (zie Matth. XXI: 11)
Zich Zei ven Koning maakt te Jeruzalem
en de Romeinen verdrijft. {Verwijs naar
de vorige Les). Zie naar wien Hij luistert,
op wien Hij acht geeft.
1. De blinde bedelaar {XVUl : Sb—^S).
Hoe ongelukkig om blind te zijn — hoe
ongelukkig om te moeten bedelen — maar
wat dan om beide in zich te vereenigen!
Daar zit hij dag aan dag aan de poort van
Jericho — de menschen gaan in en uit —
priesters heen en weer om hunne plichten
in den Tempel te vervullen, (Les LVII,
Aant. 4) — arbeiders heen en weer \an
hunne woning naar den akker — reizigers
heen en weer tusschen Perea of Galilea en
Jeruzalem, enz., enz. — wat bekommeren
zij zich om hem? Misschien werpen zij
hem nu en dan een penning toe — meer
niet.
Hoe weet hij, wanneer iemand voorbij-
gaat, of hij bedelen moet ? Maar heden
dringen ongewone klanken tot hem door —
het geluid van vele voetstappen — vele
stemmen door elkander — wat kan dat
zijn? Hoor dan wat hij roept—hoe geheel
anders dan gewoonlijk — wat wil hij?
zie vers 41. Waarom verwacht hij dat?
Wat weet hij van Jezus? Wij weten het
niet, maar hij noemt Hem « Zone Davids »
(zie Matth. XXH : 42; Joh. VH : 42) —
hij gelooft, dat; Hij de Messias is — heeft
zonder twijfel uit de Schrift gehoord, hoe
de Messias de oogen der blinden zou ope-
nen (Jes. XXXV : 5, XLH : 7) — mis-
schien heeft hij ook gehoord, hoe Jezus
ze geopend heeft.
Waarom gebieden zij hem stil te zwijgen ?
« De Koning der Joden gaat naar Jeru-
zalem » (Verg. het voorbeeld van den
Koning, hiervóór). Evenals de discipelen
en de kinderen (Mark. X : 13). Maarzooals
het toen was gegaan (zie Les LV), zoo
gaat het ook nu; hoe anders denkt de
Koning dan Zijne volgelingen! Zie Jes. LV :
8, 9. Een blinde bedelaar is in Zijn oogen
evenveel waard als een lijk overste —
is Hij niet gekomen om voor beiden te
leven en te sterven? Zie het gelukkige
I einde, de blinde oogen worden geopend —
i de ongelukkige bedelaar verandert in een
, blijden discipel — weder één meer hij
den optocht, die luide met de anderen
inedezingt.
2. De inhalige tollenaar {XVX \ \—\0).
Een man te Jericho, rijk en machtig,
toch gevreesd en gehaat. Bij ons zijn zij,
die de belasting ophalen, noch gehaat, noch
gevreesd, omdat zij niet meer kunnen
nemen dan wat billijk is (en het ook niet
willen). Maar te Jericho zouden arbeiders
in den wijngaard voor «een penning daags»,
zaaiers «uitgaande om te zaaien», herders
hunne schapen «uitleidende», Zachéus'
fraaie huis voorbijgaan, en bedenken, hoe
hij rijk was geworden door hen te bedrie-
gen (zie Aant. 4), door meer te eischen
dan hetgeen «gezet was», en het over-
schot zelf te houden.