Boekgegevens
Titel: Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Deel: II: Nieuwe Testament
Auteur: Stock, Eugene
Uitgave: Rotterdam: D.A. Daamen, 1899
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1149
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206458
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Vorige scan Volgende scanScanned page
LXI. TE JERICHO.
DE BLINDE EN DE TOLLENAAR.
279
te worden — «staat bij Mij niet te geven,
maar (d. i. behalve) aan diegenen, wien
het bereid is.» Christus Zelf is de gever,
echter wil Hij niet willekeurig geven,
maar aan ieder mensch, naarmate zijn werk
zal zijn.
5. Vers 42. « Degenen, die geacht wor-
den oversten te zijn», d. i. «zij, die oversten
genaamd worden», of «die meenen over-
sten te zijn». De ware oversten der men-
schen zijn zij, die hunnegedachten en daden
beheerschen en er invloed op hebben, het-
geen nietaltijd door hen,dieoverstenheeten,
gedaan wordt. Den waren zin hiervan zal
men vinden in afdeeling III van de Schets.
6. Het Grieksche woord voor ndienaar»
is het oorspronkelijke van ons «diaken».
«Dienstknecht» is letterlijk «slaaf» en
duidt eene nog lagere plaats aan.
7. (.(Zijne ziel te geven tot een rantsoen
voor velen». Krachtiger kon het plaats-
vervangend karakter van Christus' dood
niet worden uitgedrukt, daar ook het
Grieksche woord, door «voor» vertaald
(avrt. anti, in de ^J^aa^s uan), een bijzon-
der diepe beteekenis heeft. Het beeld van
het rantsoen heeft betrekking op den ver-
loren toestand van den mensch uit het
oogpunt van gerechtelijkegevangenschap —
het beteekent hier niet de slavernij der
zonde, maar de straf der zonde, welke
door Gods overtreden wet geëischt wordt.
(.(Velen» is hier niet eene tegenstelling van
allen, maar van de ééne ziel, die gegeven
is. In i Tim. II; 6 wordt duidelijk gezegd,
dat het «rantsoen» voor «allen» was;
verg. 2 Cor. V : 14; 1 Joh. H : 2.
Les LXL — Te Jericho. — De blinde en de tollenaar.
«Hij wil de verdrevenen van Israël verzamelen».
Te lezen — Luk. XVHI : 35—43, XIX : 1-10; (verg. Matth. XX : 29—34;
Mark. X : 46-52).
Te leeren — Ps. CXLV : 18, 19; Luk. XIX : 10. (Ps. 6 : 9; Ps. 30 : 1).
Voor den Onderwijzer.
Voor zulk eene eenvoudige Les als deze zijn er [nauwelijks aanwijzingen van
noode. Men zal echter opmerken, dat de gedachtengang, welke in de Schets
gevolgd wordt, ten doel heeft de leeringen van de twee voorvallen in het
verhaal te vereenigen; en dientengevolge'moesten de punten van toepassing,
welke men gewoonlijk in lessen over den «Blinden Bartimeüs» behandelt —
nl. geloof, en geestelijke blindheid in tegenstelling van geestelijk zien — nood-
zakelijk weggelaten worden.
Het onderwerp is bijzonder van toepassing op kinderen, waarop altijd laag
neer wordt gezien, die tot niets goeds in staat gerekend worden, of op kin-
deren, die in buitengewoon armoedige omstandigheden verkeeren. Maar dat
men geheel onwaardig is om de opmerkzaamheid van Christus te trekken, waar-
van de toepassing uitgaat, kan van andere plaatselijke en persoonlijke omstandig-
heden afgeleid worden, zooals b. v. de onbekendheid der woonplaats (verg.
Nathanaei's toespeling op Nazareth), of zelfs van hetgeen in het algemeen te
zeggen is van 's menschen^nietigheid.
Schets van de Les.
Indien de Koning in plechtigen optocht
door dit gedeelte van de provincie kwam,
omringd door talrijke scharen, en een
bedelaar hem nariep, zou hij er dan acht