Boekgegevens
Titel: Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Deel: II: Nieuwe Testament
Auteur: Stock, Eugene
Uitgave: Rotterdam: D.A. Daamen, 1899
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1149
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206458
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Vorige scan Volgende scanScanned page
9 IL DE PROFETIEËN VAN DEN TOEKOMSTIGEN VERLOSSER.

komen? Wie is waarlijk voor zondaren
gestorven? 1 Tim. II : 5, 6,
IV. De latere profetieën
Langzamerhand sprak God meer van den
toekomstigen Verlosser, tot David, Jesaja,
Daniël en al de profeten. Er zouden vele
lessen voor noodig zijn, om al zijne be-
loften na te gaan. Twee groote zaken
voorspeld:
1. De heerlijkheid van den toekomstigen
Verlosser, Indien de Israelieten, in Mozes
tijd, over Dengene dachten, die komen zou,
zouden zij zich iemand voorgesteld hebben
als Mozes — zij hadden zich niets beters
kunnen denken; dus een hoedanige persoon
werd hun door God beloofd? Deut. XVIII:
15. Maar toen zij een Koning hadden —
en die koning David — zouden zij denken,
dat de Verlosser hem gelijk zou zijn, zouden
zij uitzien naar een groot Koning. Hoe
beschreef God Hem dus nu V (a) Hij zou de
zoon van David zijn, Ps. LXXXIX, CXXXII.
(b) Hij zou als Koning regeeren, II: 6; XLV;
met majesteit, XLV: 4, 5; met gerechtig-
heid, LXXII: 2; met genade, LXXII: 4—7,
12—14; trots alle onderdrukking, II: 1—6,
CX : 1, 2. (c) Zijn Koninkrijk /ou overal
zijn, LXXII : 8; H : 8; en voor altijd,
LXXII : 5, 17.
Onder goede en slechte koningen kwam
dezelfde boodschap, Jes. IX : 6, 7, XXXII: 1;
Jer. XXIII: 5; Micha V : 1 —5; in en na de
ballingschap, Dan. II: 44, VII: 13,14; Zach.
IX : 9; onder de Romeinen, Luk. I : 32, 33.
Hiernaar zagen zij met verlangen uit, Luk.
XIX : 11; Joh. VI : 15; Hand. I : 6.
Wie is deze Koning? Openb. 1:5;
XIX : 16. Wat zeide Jezus zelf? Matth.
XXV : 31—34; Joh. XVIIl : 36; Openb.
III : 21. Zie de bovengenoemde profetieën,
op Hem toegepast, Matth. XXI: 5; Hand.
IV : 25-27; Hebr. 1 : 5, 8, 9.
2. De vernedering van den toekom-
stigen Verlosser. Dit zelfs in Eden vermeld
(lizijne verzenen vermorzelen»); de typen
doelden alle op een verlosser door den dood,
en onder al de profetieën van de konink-
lijke heerlijkheid van den Messias, waren
er ^ele andere van Zijn lijden. God legde
David (Ps. XXII en andere) in den mond,
om te beschrijven wat de Christus zou
ondergaan; verg. vers 7—9, 17—19, met
Matth. XXVn : 35, 36, 39—43, 46.
Zie vooral Jes. LUI; verg. vers 7, 8,
met Hand. VIII : 32—35; vers 12 met
Mark. XV : 28; ook Dan. IX : 26.
Begrepen de Joden dit? Joh. XII : 34.
Zelfs de discipelen niet in den beginne,
Matth. XVI : 22, 33; Luk. XXIV: 20, 21.
Maar wat nuttigheid zou al het andere
hebben zonder dit? Satan had niet ver-
brijzeld kunnen worden—de zonde zoude
ons al de zegeningen van Abrahams zaad
onthouden hebben —de Koning konde ons
slechts veroordeelen. In den Hemel geen
satan — geen zonde — elke zegening
de Koning zelf «in zijn schoonheid») (Jes.
XXXIII : 17); en toch, waar verheugen
zij zich daar het meest in? Openb. V : 9,
12; Gez. 46:48 (Het lam voor ons op aard
geslacht).
Zouden Abraham, David, Daniël dank-
baar zijn voor Gods goedheid, die hun
van den toekomstigen Verlosser sprak?
Voor ons is Hij niet de toekomstige
Verlosser,, maar de Verlosser, die
gekomen is. Hoe dankbaar moesten
wij God zijn! Een leerling der Zondagschool
kan meer van Hem weten dan Mozes of
Jesaja.
Zien wij tot Hem op — als tot den
Overwinnaar van Satan, die ons wil helpen;
als tot het Zaad van Abraham, dat ons
wil zegenen; als tot den Koning, die over
onze harten regeert; als tot den lijdenden
Zaligmaker, die onze zonden weg-
neemt?