Boekgegevens
Titel: Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Deel: II: Nieuwe Testament
Auteur: Stock, Eugene
Uitgave: Rotterdam: D.A. Daamen, 1899
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1149
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206458
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Vorige scan Volgende scanScanned page
274
LIX. DE OPWEKKING VAN LAZARUS.
Het antwoord van Jezus: « Uw broeder
zal weder opstaan » (vers 23) is met opzet
onbepaald, opdat zij er toe gebracht worde
de hoogere waarheid te verslaan. En het
troost haar niet: zij weet, dat er een op-
standing ten laatsten dage is (vers 24);
maar wat helpt dat? deze is nog zoo ver
weg, en zij wenscht haren broeder nu
te hebben. Zij gaat met hare gedachten
niet verder dan de zegeningen van den
aardschen omgang, niets daarbuiten schijnt
wezenlijk en tastbaar te zijn.
Dan toont Hij liaar aan, welk eene veel
grootere gave Hij kan rerleenen, dan zij
kan vragen of bedenken. Zij had eene
korte verlengitjg van haars broede» s tijdelijk
leven begeerd Hij zal ieder, die in Hem
gelooft, het eeuwige leven geven (zie de
Schets). — Neen, zij hebben het reeds;
daar zij met Hem verbonden zijn in het
geloof, zullen zij leven, omdat Hii ook
leeft. Voor gestorven geloovigen is Hij de
Opstanding, voor geloovigen, die nog leven,
is Hij het Leven.
Om de woorden des Heeren duidelijker
te maken, moet men op deze wijze er den
nadruk op doen vallen: —«Die in Mij gelooft,
zal leven, al ware hij ook gestorven; en een
iegelijk, die leeft en in Mij gelooft, zal niet
sterven in der eeuwigheid ». Het cursief ge-
drukte € leven» en « s/erven » moet in den
hoogeren, geestelijken en eeuwigen zin
genomen worden; het «ware gestorven » en
«leeft» niet cursief, in den gewonen natuur-
lijken zin.
De vraag «Gelooft gij dat?» schijnt uit
te drukken, dat het eene nieuwe openba-
ring was voor Martha; en haar antwoord
(vers 27) toont aan, dat zij het niet dadelijk
kon bevatten; toch komt zij, zonder rede-
twisten, terug op haar geloof in den per-
soon van Jezus. Zij konde Hem niet
begrijpen, maar zij kon wel op Hem ver-
trouwen. Een heerlijk voorbeeld!
4. « Werd zeer bewogen in den geest
en ontroerde zichzelveyiHet Grieksche
woord, door «bewogen in den geest» ver- ;
taald, beteekent door verontwaardiging, \
niet door smart, beit'ogren. In Mark. XIV : 5
wordt het vertaald «vergramden». Het was
de verontwaardiging, die de Heer gevoelde, i
toen Hij zag alles, wat de zonde veroor- I
zaakt had. Daar het woord ook de betee-
kenis heeft van «streng verbieden», of
« zich met geweld inhouden» (zooals Matth.
IX : 30, Mark. I : 43 - «strengelijk ver-
boden »). denken anderen, dat Jezus met
groote inspanning Zijne aandoening be-
dwong.
5. a Jezus weende». Beter «stortte
tranen ». Het is niet hetzelfde woord, dat
in vers 33 gebruikt wordt, om het meer
hartstochtelijke weenen van de zusters en
hare vrienden uit te drukken. Dit krach-
tigere woord komt echter voor, waar Jezus
over Jeruzalem weent.
6. « Het v)as eene spelonk ». Somtijds
werden door de natuur gevormde spelonken
als familiegraven gebruikt, zooals de spelonk
van M^chpela (Gen. XXIII : 9). Maar het
Grieksche woord drukt uit, dat deze kunst-
matig in de rots was uitgehouwen (Verg.
Jes. XXH : 16; Matth. XXVH : 60). Zulke
spelonken hadden zijgangen, die op zij uit-
gehouwen waren, en waarin de lichamen
gelegd werden. De « steen » was natuurlijk
als eene deur, niet als een deksel.
1, « Heb ik u niet gezegd, dat, zoo (jij
gelooft, gij de heerlijkheid Gods zien zulti»
Dit schijnt duidelijk te verwijzen naar de
boodschap in vors 4.
8. Het dankgebed, dat Christus tot den
Vader opzond (vers 4t), werd uitgesproken
ter wille van het volk. Waarom? Zouden
de omstanders nu Zijne eigen macht niet
geringer gaan schatten, en Hem beschouwen
als een menschelijk, van God afhankelijk
profeet? Maar het was beter, dat zij dit
dachten, dan dat zij niet zagen, dat God
met Hem was. Zelfs al had Hij niet zoo
gesproken, dan zouden zij toch Zijne macht
niet aan Zijne goddelijke natuur hebben
toegeschreven; zij zouden Hem eeider ten
laste hebben gelegd (evenals vroeger), dat
Hij in betrekking stond met den Satan.
Maar de volgende woorden voorkomen
elke verkeerde opvatting: «Ik wist, dat
Gij Mij altijd hoort» — waarom? Omdat
de Vader en de Zoon Eén zijn. Heleinde
van den zin werd waarschijnlijk niet over-
luid uitgesproken.
9. « Laat hem heengaan »; d. i. verdring
u niet uit nieuwsgierigheid om hem heen;
laat hem alleen met zijne zusters en vrienden.