Boekgegevens
Titel: Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Deel: II: Nieuwe Testament
Auteur: Stock, Eugene
Uitgave: Rotterdam: D.A. Daamen, 1899
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1149
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206458
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Vorige scan Volgende scanScanned page
270
LIX. DE OPWEKKING VAN LAZARUS.
armoedig gehucht. De naam, dien het tegen-
woordig draagt, El Lazarieh, is eene
herinnering aan de groote gebeurtenis van
Joh. XL
3. Dat het gezin, dat «Jezus liefhad»,
zooals wij zouden zeggen in goeden doen
was, blijkt (a) uit het feit, dat zij een
graf bezaten van de soort, in Joh. XI be-
schreven; (6) daaruit, dat zij vele vrien-
den onder «de Joden» (Joh. XI : 19),
d. i. (in de taal van het vierde Evangelie)
de oversten en de partij der priestei*s,
hadden; (c) uit de «zeer kostelijke» zalf,
welke Maria had (Joh. XII : 3). Martha
schijnt de oudste geweest te zijn, daar
het huis van haar was (Luk. X : 38).
In Matth. XXVI : 6 en Mark. XIV : 3
(verg. met Joh. XII : 2) wordt dezelfde
woning, naar het schijnt, het huis van
Simon den Melaatsche genoemd, van
wien men veronderstelt, dat hij de vader
was van de drie, of de man van Martha
en óf gestorven, óf (als een melaatsche)
noodzakelijk van haar gescheiden was.
4. (kZeer bezigletterl. «verward»,
niet wetende wal te doen, naar welken
kant te gaan. Het Grieksche voor «zon-
der herwaarts en derwaarts getrokken te
worden», in Cor. VII : 35, is juist het
tegenovergestelde van het hier gebruikte
woord.
« Het goede deel», letterl. een gerecht.
Hetzelfde Grieksche woord komt voor in
Gen. XLIH : 34, volgens de vertaling
der Zeventigen — « Benjamin^s gerecht».
Christus gebruikt het klaarblijkelijk met
betrekking tot Martha's bezorgdheid om
smakelijke « gerechten » gereed te maken.
Verg. Ps. XVI : 5; Klaagl. IH : 24.
Les LIX. — De opwekking van Lazarus.
«Ik hen de Opstanding en het Leven. *
Te lezen — Joh. Xf : 17—45.
Te leeren — Joh. V : 28, 29; 1 Joh. V : 11, 12. (Gez. 191 : 2, 4).
Voor den Onderwijzer.
De leeringen van dit verhaal zijn zoo menigvuldig en van zooveel belang,
dat het bijzonder moeilijk is te beslissen, wat in deze Les behandeld,
wat weggelaten zal worden. De drie hoofdpunten, waarop de gedachten zich
moeten vestigen, worden uitgewerkt in de drie afdeelingen van de Schets;en
men zal opmerken, dat er daarvan hetzij één, hetzij twee afzonderlijk genomen
kunnen worden — d. i. de onderwijzer kan het onderwerp zoo behandelen
(door sommige verzen weg te laten, of slechts even aan te roeren, en op
andere den nadruk te leggen), dat hij er óf (1) de liefderijke bedoeling van beproe-
vingen, óf (2) het medelijden en de macht van Christus, óf (3) de hooge
beteekenis van het Eeuwige Leven mede leert. Voor jongere klassen zal het
tweede gedeelte het gemakkelijkst zijn. Het eerste kan waarschijnlijk, in den
loop van het verhaal, hier en daar te pas worden gebracht. Maar het derde
bevat de voornaamste leering, en moet, zoo mogelijk, behandeld worden.
De onderwijzer drage zorg den kinderen uit te leggen, dat het «Eeuwige
Leven» niet de hemel, noch de gelukstaat van afgestorvenen, noch de toestand
van gelukzaligheid na de opstanding, noch dit alles te zamen is; maar dat
het op aarde begint, wanneer de ziel met Christus (die «het Leven »is) door
het geloof vereenigd is; zie den tweeden tekst om te leeren.