Boekgegevens
Titel: Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Deel: II: Nieuwe Testament
Auteur: Stock, Eugene
Uitgave: Rotterdam: D.A. Daamen, 1899
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1149
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206458
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Vorige scan Volgende scanScanned page
29 IL DE PROFETIEËN VAN DEN TOEKOMSTIGEN VERLOSSER.
Maar de Verlosser kwam niet dadelijk —
hij wachtte lang — 4000 jaar ten minste —
waarom ? De menschen moeten leeren hoe
verschrikkelijk de zonde is, anders voelen
zij geen behoefte aan een Verlosser. Den
volgenden Zondag zullen wij zien, hoe Hij
juist ter rechter tijd kwam.
Wisten de menschen, die leefden vóór
dat Hij kwam, niets van Hem. God zeide
hun op verschillende wijzen, vele dingen
van Hem. Let nu heden eens op sommige
Zijner beloften.
I De belofte in Eden.
Toen Adam en Eva, om hunne zonde,
in ellende waren, sprak God hun terstond
van een Verlosser — éérdat hij hen strafte
(Gen. 111:15—19); hoe ontfermend! Wat
zeide Hij hun van den Verlosser? Zie vers
15. (a) Hij zou een mensch zijn v.{haar
zaad)f>; (b) Hij zou tegen hun wreeden
vijand strijden (t(vyandschap)t; (c) Hij
zou niet overwonnen worden zooals zij,
maar zou den vijand vernietigen («d^/cop
vermorzelen» — de wijze, waarop men
een slang doodt); (d) Hij moet sterker
zijn dan de vijand — kon Hij dan wel
slechts een mensch zijn ? (e) Toch zou Hij
gewond worden, zou lijden, maar niet over-
wonnen worden (tde verzenen verniorze-
lent) — ^V{e beantwoordt aanditallesf
Zie 1 Joh. III : 8; Hebr. 11 : 14; Luk.
XI : t>l, 22; Openb. Xü : 9—11.
n De beloften aan de Aarts- ;
vaders.
Niettegenstaande Gods belofte aan Adam
en Eva, vergaten de menschen Hem,
werden slechter en slechter — zelfs de i
Zondvloed hield het slechts tijdelijk tegen — j
ten laatste nauwelijks iemand, die om God j
gaf — de beloften vergeten. Toen koos
God een man — wiens geslacht een groot
volk zou worden — afgescheiden van de
geheele wereld — opdat Hij het zou op-
leiden, Hem doen kennen en gehoorzamen
— hun Zijne beloften te geven, om die op
i te schrijven en te bewaren — uit wie de
Christus voort zou komen, Hand. Vil: 2.
, XIU ; 17; Deut. VH : 6—8; Rom.
Ill : 2.
Wat zeide God aan Abraham van Zijn
voor9iemenf Gen. Xll : 2, 3, XV : 1—6,
XVll: 1—8, XXII: 15—18; verg. XXVI: 3,
4; XXVllI : 13, 14. (a) Niettegenstaande
de overalheerschende zonde, zouden eens
j alle geslachten gezegend worden, (b) Deze
! zegen zoude komen door het nageslacht
I van Abraham, (c) Maar Abraham wist, dat
! zijne kinderen zondig zouden zijn gelijk
. hij — hoe dan zulk een zegen? — God
de eenige bron van den zegen (XV :1) —
j Want zou God zelf niet de Verlosser zijn ?
i (Zie Aant. 2).
I Wie was zoowél God als Abrahams
zaad? Rom. IX : 5; Gal. Ill : 16; Hebr.
II : 16. En wat zeide Jezus, toen Hij er
j van sprak, dat Abraham hem kende?
Joh. VIII : 56. En is Jezus een zegen?
Hand. Hl : 25. 26; Eph. 1:3; 111 : 8;
verg Ps. LXXll ; 17.
in De typen in de Joodsche
Wet
Abrahams geslacht in Egy pte — slaven—
j weinigen herinnerden zich de belofte. Hoe
leerde God hen, nadat Hij ze uitgeleid had ?
Door schilderingen, beelden, typen, gelijk
aan eschaduwen* (Hebr. VIII : 5, X : 1).
die wel den omtrek van eens menschen
gestaltenis, maar niet zijne trekken geven.
Maar bij het zien van een schaduw, waar-
van zijn wij dan zeker? Er moest iets
komen — er is geen schaduw alleen;
tabernakels, priesters, offers, wat leerden
zij? Zie Hebr. IX : 8 — dat zondige men-
schen den Heiligen God niet konden naderen
— iemand als tusschenpersoon moesten
hebben; ook, dat God den dood van een
ander wilde aannemen, in plaats van dien
des zondaars. Wie is tusschenbeide ge-