Boekgegevens
Titel: Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Deel: II: Nieuwe Testament
Auteur: Stock, Eugene
Uitgave: Rotterdam: D.A. Daamen, 1899
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1149
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206458
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Vorige scan Volgende scanScanned page
268
LVIII. JEZUS VRIENDEN TE BETHANIË.
te hooren — eene «korte les »; zij bleef
daar zitten — zulk een genot! — Zijkan
uren lang naar Hem luisteren (verg. Luk.
IV : 22, V : XIX : 48, XXIV : 32;
Joh. I : 39).
Martha. Waar is zij? O zoo druk bezig
— zij zoude ook wel gaarne naar Jezus
luisteren, maar hoe kan zij nu blijven? —
het avondeten moet gereed gemaakt, het
werk der dienstboden nagezien worden —
er moet overvloed van alles en alles goed
in orde zijn voor zulk een geëerden gast —
zij moet in de weer blijven, aan alles
denken — het maakt haar geheel in de
war {Zie Aant. 4). Aanstonds ijlt zij het
voornaamste vertrek binnen — hoor hare
klacht — schijnt deze niet billijk te zijn?
Wat zegt Jezus echter?
Waarom iverd Martha berispt? Omddii
zij zich met huiselijke plichten bemoeide,
in plaats van aan de voeten van Jezus te
zitten? Het was toch niet verkeerd, dat
zij werkte, en Jezus zegt dit ook niet.
Maar om twee redenen: —
(1) Vele dingen» — was het noodig
voor Jezus zulk een feestmaal aan te
richten, zooveel voorbereidingen te maken?
Hij zoude tevreden zijn met een eenvoudig
maal — hel ware beter geweest, indien
zij daaraan minder tijd had gegeven en
meer prijs had gesteld op Zijne lessen;
zij meende het goed — deed het uitliefde
voor Hem — maar wat Hij werkelijk
wenschte, zag zij voorbij. {Voorbeeld.—
Zou een zendeling aan het hof van eenhei-
densch vorst gaarne gezien hebben, dat
er zooveel feesten, vertooningen, enz. ter
zijner eer gegeven werden, dat er geen
tijd voor hem overbleef om te prediken 9)
Verg. Ps. L : 8—15, Micha VI : 6—8.
(2) a Bekommerd en ontrust rt. Is het
dan niet goed, zorg te dragen? Ja, maar j
niet op deze wijze — Martha maakte het i
zich te druk en zij werd wrevelig. Bewees |
zij dit niet door te verklaren, dat zij
zoo zorgdragend was en hare zuster
zich om niets bekommerde — door zelfs
(«trekt Gij U dat niet aan? ») tegen Jezus
te murmureeren? — het is duidelijk, dat
zij knorrig, «uit haar humeur» was. Had
zij hare plichten niet stil en kalm kunnen
vervullen (zie 1 Thess. IV : 11; verg. Spr.
XVII : 1), zich gelukkig gevoelende, dat
zij niet alleen den Meester diende, maar
ook Maria een deel van haar werk be-
spaarde? Gaf Jezus haar niet, vooral in
die dagen, een voorbeeld, in Zijn telkens
wederkeerenden strijd met de Joden, om
(Rom. XV : 3) «Zichzelven niet te be-
hagen »? Zie in Phil. H hoe vers 5—8
volgen op vers 1—4.
Waarom werd Maria geprezen? Omdat
zij niets deed? Hoe, roept God Zijne dienst-
knechten dan niet om te werken? zie
1 Cor. XV: 58 — «altijd overvloedig in het
werk des Heeren ». Moeten zij niet krijgs-
lieden, zaaiers, maaiers, visschers, bouw-
lieden, enz. zijn ? En waarom zal de Rechter
de rechtvaardigen op den Oordeelsdag
prijzen? Matth. XXV: 34—36; verg. Rom.
XVI : 6, 12. Neen; maar Maria gevoelde,
dat er eerst iets anders moest zijn — dat
zij van Jezus moest ontvangen, voordat zij
Hem kon geven. Zou het luisteren naar
Jezus haar werkeloos maken? Zou Hij
wenschen, dat zij daar altijd zat? Zie Luk.
VIII : 35, 38. En zou het zijn met Hem
haar niet zooveel liefde voor Hem inboe-
zemen, dat zij «gedrongen» werd voor
Hem te arbeiden? Maar hoe? Klagende
alsof het een last ware? Of vroolijk en
gelukkig, het eigen ik vergetende? Zie Rom.
XH : 11 — «niet traag in het benaar-
«stigen», maar «vurig van geest».
Dus van alle kanten bezien, was het
« goede deel » — een beter «gerecht»
dan het beste « gerecht» van aardsch voed-
sel {Zie Aant. 4). — Terwijl Martha zich