Boekgegevens
Titel: Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Deel: II: Nieuwe Testament
Auteur: Stock, Eugene
Uitgave: Rotterdam: D.A. Daamen, 1899
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1149
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206458
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Vorige scan Volgende scanScanned page
AANHANGSEL OVER HET AFGAAN VAN JERUZALEM NAAR JERICHO. 265
4. Daar Jericho eene stad van priesters
was, worden de priester en de Leviet als van-
zelf voorgesteld als terugkeerende «van
het bedienen van hun ambt, in de beurt
hunner dagorde» (Luk. I : 8) in den
Tempel.
« ßij geval». Het Grieksche woord be-
teekent een «samenloop», d. i. van de
eene gebeurtenis met de andere.
5. Het is moeilijk aan Hollandsche
kinderen duidelijk te maken, waarom de
Heer eigenlijk aan een Samaritaan de
goede handeling in Zijne gelijkenis toe-
schreef en hoe treilend deze keuze was.
Nationale afkeer is niet sterk genoeg om
de verhouding tusschen de Joden en de
Samaritanen toe te lichten. Hierbij moet
nog gevoegd worden de felste godsdienst-
haat, welke tusschen twee tegenover elkan-
der staande partijen kan bestaan.
ö. « Olie en wijn». Zoowel Oostersche
als Grieksche geneesheeren bevalen het
gebruik van wijn en olie voor wonden aan,
het eerste om ze te reinigen, het laatste
om de pijn te verzachten.
7. (.(Twee penningen», d. i. het loon
voor twee dagen arbeid. Zie Les LVI,
Aant. 0.
8. Met veel scherpzinnigheid heeft men
getracht in al de bijzonderheden van de
gelijkenis overeenkomsten te vinden met
het verlossingswerk van Christus. De ezel,
de olie en de wijn, de herberg, de twee
penningen, worden alle zinnebeeldig opge-
vat, hoewel het toch niet is aan te nemen,
dat de Heer dit zelf bedoelde. De strekking
Zijner gelijkenis was alleen om aan te
toonen op welk eene ruime en krachtda-
dige wijze ware liefde zich openbaart. In
algemeene trekken mogen wij, wel is waar,
de barmhartige daad van den Samaritaan
met den arbeid van Christus vergelijken,
maar het is kleingeestig en der Schrift
onwaardig om in de inkleeding van het
verhaal allerlei eigenaardige overeenkom-
sten te willen vinden.
AANHANGSEL IX. — «AFGAANDE VAN JERUZALEM NAAR JERICHO.»
{Uit Dr. Norman Madeod^s reisbeschrijving.)
Jeruzalem ligt anderhalf maal hooger i
boven de Doode dan boven de Middelland-
sche Zee. In ronde cijfers is Jeruzalem
tweemaal dertienhonderd voet boven de
Middellandsche Zee, driemaal dertienhon-
derd voet boven de oppervlakte van de
Doode Zee, en viermaal dertienhonderd
voet boven den bodem van de Doode
Zee. Wij moesten dus ongeveer vier dui-
zend voet afdalen.
Even voorbij Bethanië is de steilste hel-
ling, Er is hier een pad van losse steenen
en een gladden rotsgrond, hetwelk snel
.ifdaalt naar den ingang der lange vallei.
Ik vond het hier veilig en voorzichtig, voor
mensch en voor beest, om af te stijgen
en mijn paard bij den teugel te leiden.
Deze steilte moet onze Heiland beklom-
men hebben op Zijne gewichtige reis van
Jericho naar Bethanië. En naar, of van
den top dezer hoogte af, met het gezicht
op de kronkelingen der vallei, moeten
Maria en Martha hare blikken gericht
hebben, verlangend, dat de Heiland zou
komen om hun broeder Lazarus te genezen.
Nadat wij den voet van deze steile hel-
ling bereikt hadden, en wij een put en
de bouwvallen van een oude khan voorbij
waren gegaan, liep onze weg vlak langs
den bodem der vallei. Het was een kaal,
verlaten landschap, zonder eenige afwisse-
ling, niets anders dan kalkrotsen aan alle
kanten. Maar eenige mijlen verder, toen
wij omringd werden door afgebroken
hoogvlakten en diepe bergengten, begon
de natuur, in de hoogste mate eenzaam,
woest en somber, het voorkomen te ver-
krijgen eener woestenij en van de streken
nabij de Doode Zee. Wij gingen rusten
bij de bouwvallen van een vroegere khan.
Was dit de plaats, waarop de Heiland doelde,
toen Hij verhaalde hoe de Barmhartige
Samaritaan den gewonden vreemdeling
naar een «herberg» bracht? Het is zeer
mogelijk, dat het een welbekend gebouw
was, en de gelijkenis kon niet anders
dan aan levendigheid en natuurlijkheid
winnen door zulk eene plaatselijke toe-
speling.
Kort nadat wij de khan voorbij waren
gegaan, kwamen wij op een smal pad,
dat hoogst belangrijk voor ons was. Vlak
beneden ons, aan de linkerzijde, was eene
diepe engte, tusschen welke, vijfhonderd
voet lager, een frissche, bruisende berg-
stroom voortsnelde, die zich een weg baande
door steile rotsen naar de vlakte van
den Jordaan. Dit was de Wady Kelt, en naar