Boekgegevens
Titel: Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Deel: II: Nieuwe Testament
Auteur: Stock, Eugene
Uitgave: Rotterdam: D.A. Daamen, 1899
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1149
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206458
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Vorige scan Volgende scanScanned page
264
LVII. DE TWEE VRAGEN VAN DEN WETGELEERDE. 264
eigenliefde. Hoe? Eene andere liefde moet
in ons hart komen en de eigenliefde er
uit verdrijven. ( Voorbeeld, — Eene kamer
vol met bedorven lucht — hoe deze te
zuiveren? — laat de versehe lucht binnen.
Of, eene «ledige » flesch is in werkelijk-
heid vol lucht; giet er water in en de
lucht zal uitgedreven worden). Wanneer
een jongen of een meisje waarlijk onzelf-
zuchtig is, waarom is dit dan? Omdat
zij vervuld zijn van liefde voor ouders,
vrienden, enz. — geen plaats voor hen
zelf. Maar om op den Samaritaan te ge-
lijken, moet men liefde voor iedereen
hebben (zie S^en tekst om te leeren), dan |
alleen (l^te tekst om te leeren) kan men j
waarlijk de wet houden. Zie 1 Cor. X : 24, |
33, XHI : 5; Gal. V : 14; Phil. H : 4; 1 |
Joh. Hl : 14; Jak. H : 8. j
Hoe verkrijgen wij deze liefde? Denk
aan Gods liefde jegens ons, Joh. IH : 16;
Rom. V : 8; Ef. IV. : 32; 1 Joh. IV : 10
— en zie het volgende vers bij Johannes. — ^
«Indien God ons alzoo lief heeft gehad, |
zoo zijn ook wij schuldig elkander lief te
hebben.» Denk aan de liefde van Jezus ,
— den «Barmhartigen Samaritaan» (zie
Aant. 8), die « met ontferming bewogen »
was over ons, toen Hij ons beroofd zag
door de zonde; Hij kwam om «onze won-
den te verbinden» en «ons te verzorgen»
(Zie Jes. LXI : 1).
Wat moeten dan onze gevoelens zijn
jegens anderen ? Wij moeten bedenken, dat
God hen heeft geschapen, Christus voor
hen is gestorven (verg. Rom. XIV: 15) —
daarom « broederen », « naasten » — indien
wij één van hen goed doen, doen wij
Christus goed, Matth. XXV : 40. Of liever,
wij moeten hen liefhebben zonder er bij te
óenken.(Voorbeeld.—De zon geeft ivarmte
en licht aan allen, die onder het bereik
harer stralen komen, omdat het haar
aard, omdat zij vol licht en warmte is).
De liefde is als de zonneschijn — zij houdt
niet voor zich zelf — kiest niet uit tot
wien zij zal gaan — gaat tot allen. En
ware liefde wil ook daden, 1 Joh. III :
18. Zij deinst niet terug als er gelegenheid
is om goed te doen, als de Priester en
de Leviet; met vreugde grijpt zij ze aan.
En zie het loon, Matth. XXV : 34—36.
Aanteekeningen.
1. Men veronderstelt, dat het verschil
tusschen «Wetgeleerden * en « Schriftge-
leerden » is, dat met den eersten naam
slechts die personen werden aangeduid,
die geleerdheid en kennis van de VVet be-
zaten, terwijl «Schriftgeleerde» de officiëele
titel voor eene bepaalde klasse van leeraars
was, evenals bij ons alle «geleerden» niet
het ambt van professor bekleeden.
2. dHemverzoekende.if Het V/oord €\er-
zoeken» beteekent alleen «beproeven». De
drijfveer kan goed of slecht geweest zijn.
Aldus «verzocht» God Abraham, ofschoon
Jakobus (I : 13) zegt: «God verzoekt nie-
mand ». Het is waarschijnlijk, dat de Wet-
geleerde Christus « verzocht» uit nieuws-
gierigheid, indien niet uit kwaadwilligheid.
3. De weg van Jeruzalem naar Jericho
(18 mijl) daalt op 12 mijl 3000 voet af.
Geen wonder, dat er gesproken wordt van
«afkomen» (verg. Joz. XVi : 1). Sedert
onheuglijke tijden is het een gevaarlijke
weg geweest. Hieronymus, die in Palestina
woonde, zegt, dat het de «bloedige weg»
genaamd wordt, wegens de vele moorden,
die er gepleegd werden, en dat er in zijn
tijd een Romeinsch fort en garnizoen was
om reizigers te beschermen.
De « herberg » is hier niet de met muren
omringde ruimte, zoo algemeen in het
Oosten (zie Les IV, Aant. 4), maar eene
publieke uitspanning. Het woord komt
nergens anders in het N. T. voor. Een
oude « khan » bestaat nog, naar de bijzon-
dere ligging te oordeelen, op de juiste
plaats van de «herberg».
Uit het feit, dat de aankomst te Bethanië,
vers 38, dadelijk na deze gelijkenis vermeld
wordt, zou men mogen opmaken, dat het
gesprek met den Wetgeleerde op den weg
zelf, opgaande naar Jeruzalem, gehouden
werd, daar Bethanië juist op den top lag.