Boekgegevens
Titel: Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Deel: II: Nieuwe Testament
Auteur: Stock, Eugene
Uitgave: Rotterdam: D.A. Daamen, 1899
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1149
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206458
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Vorige scan Volgende scanScanned page
LVII. DE TWEE VRAGEN VAN DEN WETGELEERDE.
263
1—4) — hoeveel te meer zal hij dan
voor een mensch zorg dragen! Wat doet
hij? Wreed, dunkt u? Zonder twijfel zou
de priester (evenals de Wetgever, vers
29) zichzelven « gerechtvaardigd hebben ».
«Eene gevaarlijke plaats — ik zou ook
wel beroofd kunnen worden — of van
den roof beschuldigd worden; behalve dat
is deze man niet iiieer te genezen, en wat
zou ik alleen kunnen doen?» Zouden dit
goede redenen zijn? Denk aan de groote |
Wet {zie hierboven) — «heb uwen naaste
lief als u zei ven» — hoe zou de priester
het gevonden hebben, indien men hem
daar alleen had laten liggen? Kan hij deze
verontschuldigingen dan gebillijkt hebben?
Nogmaals voetstappen — zou het dezen
keer een barmhartiger persoon zijn? —
ach, hij is zelfs nog hardvochtiger—«hij
kwam en zag» en toch ging hij weg —
hij weet ook uitvluchten te bedenken.
Stel u de wanhoop van den armen lijder
voor!
Een derde komt — welk een verschil!
Zie hoe hij met teedere zorg de wonden
verbindt, het arme verminkte lichaam op
zijn ezel tilt (hij is dadelijk bereid zelf te
gaan loopen), een goed verblijf opzoekt,
in de behoeften voorziet, voor hetgeen
verder noodig is betaalt {beschrijf uitvoe-
riger). Had hij de verontschuldigingen van
den priester niet kunnen aanvoeren? Dacht
hij aan gevaar, moeite, oponthoud? Hoe
kwam het dan? Herkende hij in den ge-
wonde een vriend of betrekking? Er was
eerder eene bijzondere reden om hem niet
te helpen — het was een van de hevigste
vijanden van zijn volk — met wien ge-
woonlijk «geene gemeenschap » was (Joh.
IV : 9). {Zie Les XVII en Aanhangsel I,
blz. 78.) Maar hieraan dacht hij niet;
het was genoeg voor hem, dat iemand leed.
{Voorbeeld. — Een kind in eene groote
stad werd bijyia overreden — eene vrouw
haalde het weg. Een toeschouwer vroeg:
«Is dat uw kind?)> — Mijn kind!
Neen, maar het is het kind van
iemand).
IV. De toepassing.
Geeft Jezus deze Zelf? Hij doet haar
den Wetgeleerde vinden. Maar merk op
de vraag: niet «Wie behandelde den armen
man als zijn naaste, en hield dus het
gebod?» — mdidiT <k Wie was zijn naaste?»
Waarom dit? De Wetgeleerde had gevraagd
«Wie is mijn naaste?» Jezus keert het
om: «Gij zijt de naaste — hoe zoudt
gij willen, dat anderen u behandelden?
doe desgelijks.» Maar hoor wat de Wetge-
leerde zegt — niet de Samaritaan — hij
kan het gehate volk niet noemen — mis-
schien denkt hij wel, dat Jezus even goed
over de barmhartigheid van een Jood had
kunnen spreken {Zie Aayi. 5). Maar het
waren juist deze gevoelens, die aantoonden,
dat de Wetgeleerde de wet niet hield;
Jezus legt Zijn vinger op de wonde —
evenals Hij dit deed bij den rijken jonge-
ling {Les LV).
Wij zouden allen gaarne den lof ver-
dienen, dien Jezus den barmhartigen Sama-
ritaan gaf.
Waarom verdienen wij dien niet? Wv}
hebben niet anderen als ons zeiven lief,
maar ons zeiven veel meer dan anderen.
Ieder denkt het eerst aan zich zelf. Denk
eens na — is het niet zoo op school,
thuis, in de werkplaats, bij het spelen?
Zelfs wanneer wij eene goede daad doen,
hoe dikwijls is het dan nog ter wille van
ons zelf, om vergelding te ontvangen, of
om geprezen te worden!
Waaraan hebben wij behoefte? Om de
Wet in acht te nemen en te trachten
onzen plicht te doen? Ach, dan zullen wij
zeker te kort schieten. Dat zal niet gaan.
Wij moeten bevrijd worden, van onzet