Boekgegevens
Titel: Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Deel: II: Nieuwe Testament
Auteur: Stock, Eugene
Uitgave: Rotterdam: D.A. Daamen, 1899
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1149
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206458
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Vorige scan Volgende scanScanned page
262
LVII. DE TWEE VRAGEN VAN DEN WETGELEERDE. 262
de vraag van Petrus (de twee votnge
Lessen). Somtijds werd Hij vervolgd met
tergende strikvragen, zie Luk. XI: 53, 54.
Heden zullen wij twee vragen beschouwen.
I. De eerste vraag —«Wat doende
zal ik het eeuwige leven beëï^ven?»
Dezelfde vraag, die de rijke jongeling
gedaan had? En toch hoe verschillend!
Hij deed haar in oprechtheid, begeerig om
voor zichzelf het middel te weten; maar
deze Wetgeleerde — waarom? vers 25.
«Hem verzoekende» (zie Aant. 2) — hij
vraagt alleen om te zien wat Jezus zal
zeggen — of hij Hem ook misschien in ver-
legenheid kan brengen, een haastig en
verkeerd antwoord krijgen.
Zie het antwoord van Christus, vers 26
— eene vraag — twee vragen: de Wetge-
leerde «verzocht», beproefde Hem — nu
beproeft Hij den Wetgeleerde. ^Gij,eenWet-
geleerde, niet onwetend, een leeraar van
anderen, behoordet te weten» (Verg. Joh.
Hl : 10; Rom. II : 21). En niet alleen
«wat is in de Wet»? — maar «/ioe leest
gij?» — «leest gij alleen, omdat gij het
moet doen? of slechts voor het heil van
het volk, en ziet gij niet wat de Wet tot
u zelven zegt?» Indien Christus ons deze
vraag deed, wat zouden wij dan antwoorden ?
En de Wetgeleerde weet het — hij geeft
het beste antwoord, dat hij had kunnen
geven (Deut. VI : 5; Lev. XIX: 18; verg.
Matth. XXH: 37-40) — de geheele plicht
jegens God en onzen naaste geeft hij daar-
door weer. — Maar wat zegt Jezus? Heeft
hij recht geantwoord? Ja, maar het is niet
genoeg te weten — hij moet «datdoen».
Jezus wil, dat hij het beproeft — daarna
ziet, dat hij het niet kan — zijne zonde
leert kennen (Rom. III : 20, VII : 7) —
niet langer op zichzelven vertrouwt —
bereid is om het eeuwige leven als eene
gave Gods voor den geredden zondaar aan
te nemen. (Voorbeeld. — Een verwaande
jongen zegt: «Ik ken mijn les»; de
meester ziet, dat hij haar niet kent, toch
antwoordt hij: « Zeg haar dan op y> — om
hem zijne onwetendheid te toonen).
II. De tweede vraag: — «Wie is
mijn naaste?»
Het woord van Christus is als een
zwaard (verg. Hebr. IV : 12) tot zijn hart
doorgedrongen. «Dat doen — doe ik het?
Ik heb mijne betrekkingen en mijne land-
genooten lief — kunnen er nog meer
naasten zijn — hoe kan ik weten wat
God met den naaste bedoelt.» Toch vraagt
hij, hopende, dat het antwoord van Jezus
zal aantoonen, dat hij de wet houdt — hij
wenscht zichzelven te «rechtvaardigen» —
toch is zijn geweten niet rustig. (Voor-
beeld. — Vader komt thuis — het kind
tracht er zeer kalm en zoet uit te zien,
misschien zegt het: «Ik ben niet stout
geweest» — dit is dikwijls een teeken
van een kwaad geweten).
Jezus doet hetzelfde met hem als met
Petrus (vorige Les) — Hij verhaalt eene
gelijkenis.
m. De Gelijkenis.
Een woeste, donkere weg tusschen de
bergen. Zeer steil — Jeruzalem ligt hoog,
in het heuvelachtig gedeelte des lands,
Jericho in de lage vallei (Zie Les XX).
Gevaarlijk — er zijn roovers, die zich
tusschen de rotsen schuilhouden (zooals
nog heden ten dage). (Zie Aant. 3). Een
man reist er alleen langs — plotseling
wordt hij aangevallen, beroofd, gewond,
hulpeloos achtergelaten. Zie hoe hij daar
ligt, met den dood voor oogen — hoe
vurig verlangt hij er naar, dat iemand
voorbij komt!
Uit de verte weerklinken voetstappen —
wie komt daar? Een priester (zie Aanï. 4>
— hoe gelukkig! — De dienaar Gods zal
zeker helpen — hij kent de wet omtrent
het verzorgen van dieren (Deut. XXII :