Boekgegevens
Titel: Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Deel: II: Nieuwe Testament
Auteur: Stock, Eugene
Uitgave: Rotterdam: D.A. Daamen, 1899
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1149
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206458
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Vorige scan Volgende scanScanned page
LVII. DE TWEE VRAGEN VAN DEN WETGELEERDE.
261
7. Het woord, in vers 12 door «hitte»
vertaald, is de naam van den drogen,
brandenden oostenwind; en in de Vertaling
van de Zeventigen van Ezech. XIX : 12
wordt het ook gebruikt. « Vriend » in vers
13 moest eigenlijk zijn «kameraad»; het
duidt geene vriendschap aan, en is hetzelfde
woord, dat tot den man zonder bruilofts-
kleed (Matth. XXII : 12) en tot Judas in
den hof (XXVI : 50) gesproken wordt.
« Een boos oog », vers 15, beteekent afgunst
en kwalijkgezindheid; verg. Deut. XV : 9,
XXVHI : 54, 56; 1 Sam. XVHI: 9; Spreuk.
XXVIII : 22; Mark. VH : 22.
Les LVII. — De twee vragen van den Wetgeleerde.
« Wat doende zal ik het eeuwige leven beërven?» « Wie is mijn naaste?»
Te lezen — Luk. X : 25—37.
Te leeren — Rom. XIII : 10; Luk. VI : 31, 33, 35. (Gez. 61 : 14,15).
Voor den Onderwijzer.
Onderwijzers van jongere klassen zullen het wenschelijk vinden de twee
eerste afdeelingen van deze Les aanmerkelijk te verkorten of zelfs weg te
laten, hoe belangrijk het onderwerp er ook van is; — daar de gelijkenis en de
leeringen, welke zij met zich brengt, er niet onder mogen lijden door gebrek aan
tijd. In het bijzonder moet de volle nadruk gelegd worden op de twee hoofd-
gedachten in de laatste paragrafen van de Schets, nl. (1) Dat onze natuurlijke
zelfzuchtigheid alleen overwonnen kan worden door de uitdrijvende kracht
eener nieuwe genegenheid; (2) Dat de liefde voor onzen naaste alle menschen
moet omvatten, omdat zij menschen zijn, deelgenooten van de menschheid,
welke Jezus aannam in vereeniging met Zijne godheid, en derhalve, in een
zekeren zin, Zijne broederen (Matth. XXV ; 40) en de onze.
Onderwijzers moeten hier ook letten op het voorbeeld, dat de Heer hun
in dit verhaal geeft, van de kunst om het onderwijs voor de hoorders toe-
passelijk te maken. Hij vertelt hun eene geschiedenis, en in plaats van daarna
een plechtige toepassing uit te spreken, stelt Hij den wetgeleerde eene vrien-
delijke, maar niet te ontwijken vraag — <iWie van deze dunkt u?y> enz.
Hoe scherp moet laatstgenoemde de kracht gevoeld hebben van het antwoord
dat hij zelf genoodzaakt was te geven! En met hoeveel gezag moet daarop
weder het nadrukkelijke woord van den Heer gevolgd zijn: «Ga heen, en doe
gij desgelijks».
Schets van de Les.
Hoe gaarne doen jongens vragen! Zij
zijn blijde, indien zij iemand hebben, tot
wien zij om inlichting kunnen gaan — hun
vader, enz. — iemand, die alles schijnt
te weten. Maar vragen zij niet dikwijls
iets om lastig te vallen en te vervelen
(b.v. om een nieuwen jongen op school
te plagen)? Somtijds zijn zij alleen nieuws-
gierig. Somtijds is het met een goed doel.
Hebt gij opgemerkt hoe dikwijls den
Heer Jezus eene vraag werd gedaan? —
b.v. de vraag van den rijken jongeling.