Boekgegevens
Titel: Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Deel: II: Nieuwe Testament
Auteur: Stock, Eugene
Uitgave: Rotterdam: D.A. Daamen, 1899
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1149
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206458
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Vorige scan Volgende scanScanned page
259 LVI. DE VRAAG VAN PETRUS.

zij overeengekomen zijn — de heer is
«en rechtvaardig man. Waarom dan deze
toornige blikken en bittere woorden? Is
hun onrecht geschied? Neen — zij hebben
gekregen wat zij verwacht hadden. Zij
zijn onvoldaan, niet over hetgeen hun
betaald is, maar over het geschenk, dat
de anderen ontvangen hebben — niets
anders dan afgunst. Hoor wat de heer des
huizes zegt: «Mag ik met mijn eigen geld
niet doen wat ik wil?» Indien die an-
deren in het geheel niet gehuurd waren
geworden, had hij dan niet uit zijn eigen zak
mogen geven zooveel als hij wilde?
{Zie het voorbeeld in de inleiding).
Wat kon Petrus nu uit deze gelijkenis
leeren"? Zij toonde hem aan hoe de eersten
de laatsten konden worden. Indien hij er
over bleef denken, « wat hij zou ontvangen »
als apostel van Jezus, dan zou hij zelf-
zuchtig, ontevreden, gemelijk worden (even-
als de oudste zoon. Luk. XV: 28—30) —
zelfs de Hemel kan voor een zoodanige
geene genieting zijn — of liever hoe kon
zoo iemand in den Hemel komen? Zie
1 Cor. XIH : 3.
Wij hebben over Petrus gesproken; wat
nu aangaande ons zeiven?
I. Christus roept ons om voor
Hem te arbeiden.
Zijn « oogst is overvloedig » — «de arbei-
ders zijn weinige ». Er is ruimschoots werk
voor allen. Hebt gij slechts weinig tijd?
Dit was ook het geval met de «laatsten »
uit de gelijkenis, toch gingen zij. Som-
migen stellen het dienen van Christus uit
tot de «elfde ure», en denken, dat dit
tijds genoeg is om den Hemel te verwer-
ven — het loon te krijgen — voor den
Meester hebben zij geene liefde — maar
Aanteekeningen.
aan welke arbeiders zijn zij dan gelijk?
Behalve dat, indien gij zoo lang wacht,
zult gij dan kunnen zeggen: «Niemand
heeft ons gehuurd?» — wanneer Hij u
nu roept. Indien deze menschen van de
elfde ure den geheelen dag hadden ge-
weigerd te werken, zouden zij dan wel
aangenomen zijn? Staat dan niet «den
geheelen dag ledig»; dat ieder iets voor
Christus doe; al is het nog zoo weinig —
te gering om van te spreken — maar Hij
«kent onze werken» (Openb. II : 2, 9,
13, 19, Hl : 8) en indien het uit liefde
tot Hem gedaan is, (zooals Paulus werkte,
2 Cor. V : 14, 15), dan zal hij het goed-
keuren en zeggen; «Zij (of hij) heeft
gedaan, hetgeen zij konde » (Mark. XIV: 8).
II. Christus zal ons eene over-
vloedige belooning geven.
Niet omdat wij die verdienen. Be-
denk hoe weinig wij doen — zelfs de
ijverigsten onder ons! Zelfs wat wij doen,
wordt eigenlijk door Zijne genade gedaan
(1 Cor. XV : 10). En denk aan hetgeen
wij moesten doen. —
Maar uit Zijne vrije genade. Geene
afbetaling, maar eene gift tekst om
te leeren; zie Ps. LXH : 12), zoodat zij,
die haar ontvangen, verbaasd zullen zijn
over het vele, dat zij hebben, en gevoelen
zullen hoe onverdiend het is; evenals
Jakob (Gen. XXXII : 10). Zie wal de dienst-
knechten van Christus zullen zeggen, Matth.
XXV : 37. En ofschoon wij niet werken
moeten voor de belooning, mogen wij er
toch op zien, Luk. VI : 23; 1 Cor. XV :
58; Hebr. VI : 10; — zooals Christus
dit zelf deed, Hebr. XH : 2.
Zullen wij het loon ontvangen ? Wij zyn
onder de « vele geroepenen » — zullen wij
onder de «weinige uitverkorenen» zijn?
1, «In de wedergeboorte», enz. Het
woord, door « wedergeboorte» vertaald,
beteekent letterlijk «een opnieuw begin-
nen ». Op deze plaats schijnt het dezelfde