Boekgegevens
Titel: Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Deel: II: Nieuwe Testament
Auteur: Stock, Eugene
Uitgave: Rotterdam: D.A. Daamen, 1899
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1149
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206458
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Vorige scan Volgende scanScanned page
7 IL DE PROFETIEËN VAN DEN TOEKOMSTIGEN VERLOSSER.
De bedoeling was ook niet -om een geclassificeerde lijst van teksten te geven,
welke de kinderen zouden moeten opzoeken en leeren. Dit zou gemakkelijk
genoeg zijn, maar niet van veel belang voor leerlingen, die vlug zijn in het
teksten vinden, en geheel nutteloos voor de onderwijzers van jongere klassen.
Veel meer was het plan, om — hoe onvolledig ook — de ontwikkeling te
schetsen van wat men noemt de messiaansche gedachte, d. w. z. de verwach-
ting van een toekomstigen Koning en Verlosser, en zoodoende niet alleen
meerdere beteekenis te geven aan de teksten, welke bij het onderwijs worden
opgezocht, maar ook den onderwijzer van jongere klassen bouwstoffen te ver-
schaffen, waarop hij verder door kan werken, zonder dat hij teksten behoeft.
Ziet deze misschien met eenige bezorgdheid tegen deze Les op? Laat hij
trachten zich het onderwerp meester te maken, zich goed voor te stellen wat
de aangehaalde profetieën beteekenden in den tijd, toen zij gegeven werden,
en hoe zij op Christus betrekking hebben, dan zal hij geen aanhalingen be-
hoeven, wanneer hij onderwijst, maar wat hij weet, zal hij ongeveer op deze
wijze vertellen (merk op, dat het moeilijkste punt als voorbeeld gegeven is):
God zeide tot Abraham, dat hij vele kleinkinderen zou hebben, enz.
(Leg nader uit: spreek van het tellen der sterren, Gen. XV : 5). Een van
hen zou, langen tijd daarna, een groote zegen voor de wereld worden
(Vraag wat een «zegen» is en leg uit). Abraham wist, dat hij zelf niet zulk
een zegen kon zijn — hij, een zondaar — zwak — die spoedig moest
sterven (wijd daarover uit), zoude denken; «Mijne kinderen zullen zondig
zijn, evenals ik, enz. — hoe dan een zegen?» — hoe dat te begrijpen —
maar hij geloofde, omdat God het zeide. Wie is een zegen voor allen, die
tot Hem komen — zoo vriendelijk — die stierf, opdat hij ons mocht
zegenen door de zonde weg te nemen? enz. Behoorde Jezus tot Abrahams
geslacht? (Leg uit). Was hij zondig? Waarom niet? Dus toen God Abra-
ham over zijn zaad sprak, wien bedoelde Hij?
Natuurlijk zou het onmogelijk zijn, de Lessen op die manier te schrijven] *
de onderwijzer moet leeren de gegeven schets aan te vullen en voor de be-
hoeften van zijn eigen klasse geschikt te maken.
Voor het geval, dat de Les te lang zou worden, kan men de derde afdeeling
wel weglaten (ofschoon zij toch, met de oudste leerlingen ten minste, aange-
stipt moet worden), en de eerste behoeft niet zooveel tijd te nemen. De tweede
moet, zoo mogelijk, geheel behandeld worden, juist omdat de zaak zoo
weinig bekend is. Maar op de vierde afdeeling moet de meeste klem gelegd
worden, nl. op de twee geheel onderscheiden lijnen in de profetie, wegens haar
beteekenis voor het rechte begrip van de verwerping van Jezus door de Joden.
Schets van de Les.
Verleden Zondag zagen wij «Waarom weg te nemen, enz. {Herhaal). Waarom
God de Zoon, mensch werd», — om de zonde | was dit noodig? {Vragen over den val).